Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het hun onraadzaam voorkwam den Koning voor vijand te verklaren, zoolang Anjou niet dichterbij zou zijn gekomen, vooral uit vrees voor het lot van 200 schepen, bemand met 3000 bootsgezellen, die zich toen uit de Nederlanden in Spanje en Portugal bevonden. De Staten van Holland gingen daarmee accoord. Wel besloten zij 's Konings naam te vervangen door dien van den Prins en de Staten1). Aan den naam en het zegel van de Generaliteit wilden zij alleen onderworpen zijn „achtervolgende den Land-Raedt in saecken van den Oorlogh, de selve neffens de Hooge Overigheydt geconstitueert zynde," niet in politieke zaken. „Op het stuck van de Convoyen binnen Hollandt" en in alle andere contributies zou ook de naam van Zijne Excellentie en de Staten gebruikt moeten worden.

Gouda en Schiedam stemden nu ook toe in de eedsverandering. De Amsterdamsche afgevaardigden zochten opnieuw tijd te winnen: de stedelijke regeering wenschte de zaak eerst aan „de Hoofden van hare Schutteryen" voor te leggen 2).

Ondanks de tegenwerking van Amsterdam zetten de Staten door: in de beschrijvingsbrieven voor de volgende vergadering, in Den Haag te houden, werden de edelen en steden verzocht gedeputeerden te zenden „met volcommen last omme opt

Juni dagteekent. Res. St. v. Holl. 1581. bl. 250 en Res. St.-Gen. HL bl. 279, No. 146. Vreemd is, dat in de schriftelijke verklaring van Brabant de zinsnede over de schepen en bootsgezellen ontbreekt, terwijl ze wel voorkomt in die van Holland en Mechelen. Res. St. Gen. III, bl. 281 en 282. In de dateering van het Hollandsche advies is eene f°u* geslopen (t. a. pl. bl. 282, 1): ze kan nooit 1 Juni zijn. Het advies zal waarschijnlijk 7 Juni gedateerd zijn.

*) „Aengaende het verlaten van den Naem van den Koningh, ende het vernieuwen van den Eedt ende Zegelen binnen Hollandt, soo in Justitie als Politie, persisteren by de Resolutie, den negenthienden April laetstleden, daer op ghenomen, ende dat sulcks aldaer den Naem van syne Excellencie ende de Staten van Hollandt, in de plaetse van dien gebruyckt sullen worden."

2) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 250 en 251: 6 Juni. — De Goudsche afgevaardigden verklaarden nog wel „egeenen last te hebben, om te consenteren in het aennemen vanden Hartogh van Anjou, ofte omme den selven Eedt te doen." Te zelfder plaatse, als kantteekening.

Sluiten