Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Prins van Oranje, aan wien deze nieuwe acte door de gecommitteerden der Staten werd voorgelegd, heeft haar geheel ter zijde geschoven. Hij verklaarde het niet raadzaam te achten „op het gedefereerde Gouvernement" *) den eed af te leggen en te ontvangen, „voor en al eer het selve by alle de Steden absolutelijck 2) werde gedaen, en sulcks de quaestie van Amsterdam ware vereenight ofte gedecideert." Hij achtte het beter de plechtigheid vier maanden uit te stellen, in de eerste plaats, opdat ondertusschen de Satisfactie-questie zou kunnen worden „vereenight ofte beslist", in de tweede en niet in de laatste plaats, omdat hij vreesde „dat niet van goeden aensien soude wesen, immers een nadencken geven by de omleggende Provinciën, dat syne Excell: op sijn vertreck buyten den Lande van Hollandt (daer toe seer instantelijck by d'andere Provinciën wert aengehouden) soude alsulcken Gouvernement by praestatie ende afneminghe van den Eedt solemniseren, al of syne Excellencie daernahadde ghewacht, ende eenige occasien dies-aengaende waergenomen" 3). Hij achtte het daerom beter om nog gedurende vier

Muniment. Vroedschap, — 1650. De concessie betrof art. 13 van de acte van gouvernement van 1576, waarin o.a. voorkwam: „welverstaende indien de noot of verseeckertheyt mochte vereysschen eenige afstellinge ofte vernieuwinge van Officieren, Wethouders ofte Magistraten vande Steden buyten den ghewoonlijcken tijdt, sal syne Excell, 't selfde oock mogen doen met kennisse van saecken, ende van 't meerendeel der gene die de Vroetschap ende 't Corpus der selver Steden zijn representerende, al sonder prejuditie der Steden voorsz Hantvesten ende Privilegiën, die niet te min gehouden sullen worden ende blyven in heur geheel."

Cf. de behandeling van dit art. in de Amstêrdamsche Vroedschap, dato 21 Jan. 1579 (hiervoor, bl. 17 en 18) en 25 Juni 1581 (hiervoor, bl. 76 en 77).

*) Nml. op 5 Juli LI. Dat hier geen sprake kan zijn van een ander, meer absoluut bewind, in den geest van de resolutie'van 29 Maart 1580, blijkt duidelijk uit een besluit van 12 Sept. 1581, waarbij besloten werd toen pas een tipje van den, sluier van geheimhouding, waarmede dat besluit bedekt geweest was, op te lichten. Res. St. v. Holl. 1581, bl. 482 en 483; 12 Sept.

2} De cursiveer.

3) De Prins van Oranje vreesde, dat de andere gewesten het als „een nieuw Gouvernement" zouden beschouwen, „niet tegenstaende by de jegenwoordighe last van den Gouvernemente, de voorgaende last ende Resolutie, binnen den

Sluiten