Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maanden te „continueren" in het oude gouvernement, hem in 15,76 opgedragen. Hoewel vooral de edelen en enkele steden, o. a. Leiden, het met 's Prinsen opvatting niet eens waren* hebben de Staten zich ten laatste toch naar zijn wil geschikt. Aan Zijne Excellentie zou dus de eed worden afgenomen en afgelegd „op de continuatie van den Gouvernemente," (nml. van 1576)1).

Toen 21 Juli de eeden vastgesteld werden, verklaarden de Amstêrdamsche gedeputeerden, dat zij geen last hadden den eed aan den Prins af te leggen, zonder voorafgaande machtiging van hunne committenten 2). In afwachting

Jare vijfthien hondert ses en tseventigh, by syne Excellencie ende de Staten, dies-aengaende ghenomen. meerder ende breeder sal bevonden worden." Res. St. v. Holl, 1581, bl. 359. Ook Amsterdam deelde deze opvatting niet; hiervoor, bl. 62.

Kluit: Staatsregering I, bl. 433 concludeert uit dit besluit van den Prins: „Ten dezen aanzien verschilde de Prins grootlijks van het begrip der Staten, en scheen meer te hellen, om Amsteldam genoegen te geven." Mijns inziens ten onrechte. Uit het besluit spreekt meer de vrees voor het oordeel der andere gewesten dan de wensch om Amsterdam ter wille te zijn. De stad zou toen met het verkrijgen van de verlangde acte (dato 15 Juli) ruimschoots tevreden geweest zijn.

1) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 354 en 355: 18 Juli nam.; bl. 359 en 360: 19 Juli; bl. 364 en 365: 19 Juli nam. 19 Juli legden de Amstêrdamsche gedeputeerden pro forma eene verklaring af, waarin zij- betoogden, dat het onafgehandeld-zijn van de Satisfactie-questie niet aan hen, maar aan de Staten geweten moest worden. Achter deze verklaring volgt nu in de resoluties onder het hoofd: „Verklaringe van die van Amsterdam op de Acte van Indemniteyt, by de Staten de selve overgelevert" de door Amsterdam verlangde acte van 15 Juli. Hiervoor, bl. 84, noot 5.

Kluit, die door het niet-gebruiken der Amstêrdamsche Vroedschapsresoluties niet kan weten, dat deze „Verklaringe" reeds van 15 Juli dagteekende, vertelt daarom ten onrechte op bl. 434 (in deel I) „Amsteldam verklaarde hierop, dat Zij alles deed wat mogelijk was om te accorderen" [geput uit de pro forma afgelegde verklaring]. „Deze Verklaringen waren van die uitwerking, dat men fol. 360. eene Acte van Accoord trof; waarbij de Staten en Amsterdam onderling eens worden, om 't Gouvernement te defereren, mits dit niet strekke tot prejudicie van hare Satisfactie — totdat midlerwijl het Amsteldamsche verschil zal geslist zijn. Dus ging het Besluit door."

2) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 372: 21 Juli nam. en de kantteekening.

Sluiten