Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

protestatie van inden inhouden van dien nyet gehouden te zyn, deur den middelen hervat inde concipieerde antwoorde omme den Raetsheer vander Nyenburg over te leveren" 1).

Hoewèl de Prins van Oranje 24 Juli aan de Staten verzocht had hun best te willen doen, dat de geschillen met Amsterdam zoo spoedig mogelijk uit den weg geruimd zouden worden, werd daartoe pas in October weer eene poging aangewend. 13 October werd besloten, dat de edelen' en steden hunne gedeputeerden op de a.s. vergadering zouden moeten zenden met volmacht op het volgende voorstel: „of men in de voorschreve saecke [nml. de Satisfactie-questie], ten overstaen van eenige van de Raeden, sal mogen treden in communicatie met die van Amsterdam, omme in het vrundelijck op de Poincten differentiael te mogen handelen ende accorderen, ende indien het selve niet doenlijck sal zyn, of men de saecke aen den Hove van Hollandt, als Arbiters niet sal moghen submitteren, ofte andersints de saecke ten wederzyden stellen aen de Justitie, omme by den Hove van Hollandt met den eersten (des doenlijck zynde) gedecideert te worden" 2).

Toen 8 November over dit punt der beschrijving gesproken werd, bleven de Staten bij hun drievoudig aanbod aan Amsterdam;, bij het tweede punt, handelend over de arbitrage van het Hof van Holland, werd nu echter de volgende beperkende bepaling gemaakt: „midts dat in sulcken gevalle die van den Raede voornoemt, niet sullen excederen de limiten van de satisfactie van die van Amsterdam voornoemt" 3). De Amstêrdamsche gedeputeerden wilden geene verklaring afleggen, voordat de Staten „verklaringe (zouden hebben) gedaen van de Poincten differentiael, daer af in de verschry-

£f Res. Vr. No. 4, fol. 169 v°: 26 Aug. 1581.

2) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 543: 13 Oct.; de beschrijvingsbrief in Arch. Burg. 11: Missiven van de Staten van Holland, 1572—1680.

3) Volgens de opvatting van Oldenbarnevelt had de Prins van Oranje die limieten in zijne tweede uitspraak ver overschreden. Vandaar waarschijnlijk nu dit voorbehoud. Hiervoor, bl. 45.

Sluiten