Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oranje ook mocht zijn om aan al hare eischen tegemoet te komen.

Wat de questie der geestelijke goederen aangaat, drong de stedelijke regeering nu niet slechts op behoud van art. 19 der Satisfactie en goedkeuring van reeds geschiede en nog te geschieden overdrachten van kloostergoederen aan de godshuizen aan, neen: op dat punt zette zij haar wenschen aanmerkelijk uit1) en wilde zij gemachtigd worden om zich de nog resteerende goederen als „vrij eygen" op te laten dragen, al verklaarde zij zich dan ook bereid de alimentatie der kloosterlingen en de lasten op sommige goederen rustende op zich te nemen. Volgens art. 7 van het nieuwe ontwerp zou de stad in het vervolg geestelijke goederen voor schulddelging kunnen aanwenden, zonder zich om de oorspronkelijke pieuze bestemming dier goederen te behoeven te bekommeren.

De artikelen werden door de Vroedschap goedgekeurd, echter onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij blijven wilde bij eene voorgaande resolutie2) genomen over het aanvaarden der geestelijke goederen, „dat die stadt gesubleveert ende gevryt zynde van heure groote achterwesen ende geïnvolveerde lasten staende desen oirloghe, die reste geemployeert zal worden tot behouff vanden armen". Zij ging dus iets minder ver dan de ontwerpers der artikelen met de verwereldlijking der geestelijke goederen: althans aan een eventueel overschot dier goederen wilde zij het pieuze karakter doen behouden3).

De Vroedschap gaf aan hare gedeputeerden in overweging

!) Waarschijnlijk wegens het aan Haarlem verleende Accoord tot afstand van de Satisfactie; aan die stad was alles, wat hier door Amsterdam ia zake de geestelijke goederen gewenscht werd, toegewezen. Res. St. v. HoÜ. 1581, bl. 180, vl.

2) Ons onbekend.

s) Vgl. daarmee, dat Haarlem in het Accoord beloofd had een deel van de opbrengst der geestelijke goederen aan te zullen wenden voor studiebeurzen en armenzorg. Res. St. v. Holl. 1581, bl. 184.

Sluiten