Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sullen die van Amsterdam by faulte van betalinghe, de contributien binnen der voorsz. Stede ende haer vryheyt vallende, daer voren verbonden blijven."

De bij art. 7 van het concept verzochte machtiging om met de kloosterlingen te mogen onderhandelen over de overdracht „als vry eygen" van hunne resteerende goederen in ruil voor alimentatie werd niet verleend. Bij art. 9 van het Accoord werden aan de stad alleen te haren behoeve toegewezen „alle het Getimmert, Erven ende Huysen, den Geestelijcken binnen de voorsz. Stadt toebehoorende, geene uyt gesondert." „Maer soo vele den anderen goederen vande selve Geestelijcken aengaet, als renten, binnen ende buyten, ende Landen buyten der voorsz. Stadt ghelegen, sullen de selve by bewillinge vande Staten Generael van Hollandt (daer op beschreven zijnde) beneffens d'andere Geestelijcke Goederen van Hollant, tot betalinge van des gemeene Landts schulden ende lasten moghen worden geemployeert, mits den conventualen binnen Amsterdam behoorlijcke alimentatie, in conformite van andere Steden, doende, en de Magistraten tot profijte vande selven conventualen daer voren goede versekertheyt stellende." Aan de reeds plaats gevonden hebbende transporten werd niet getornd. In art. 10 van het Accoord werd uitdrukkelijk vastgesteld, dat zoowel de Staten als Amsterdam of de Amstêrdamsche godshuizen zouden „blijven in haer gheheel", de Staten, wat betrof de kloostergoederen, die door hen waren verkocht, vervreemd of met pandschap bezwaard, Amsterdam, wat de conventuale goederen aanging, die de godshuizen „aen haer hebben ghenomen ende teghenwoordelijck zijn gebruyckende ende besittende, so den Cathuysers, als andere Conventualen toebehoort hebbende, tot wat plaetse die oock zijn gheleghen". Beide partijen zouden elkaar „inde eygendom, possessie, ghebruyck ofte ontfanck van dien" geene moeilijkheden mogen bereiden, voordat langs justitieelen weg „al *t selve eyntelijcken sal wesen getermineert." Art. 8 van het concept is uitgedijd tot art. 11 en 12 van

Sluiten