Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

machtiging verleend om toezicht op het garnizoen te houden1).

De reductie bracht eene groote bezuiniging: bij ordonnantie van 27 October 1578 werd voor ééne maand soldij slechts ruim 4300 £ betaald2).

In art. 4 van de Satisfactie was bepaald, dat de Prins en de Staten de soldaten der vendels niet zouden mogen gebruiken „in andere saken... binnen ofte buyten der voorsz. Stede... ten ware by verwillinghe vande Magistraet der selver Stede van Amstelredam." Herhaaldelijk deed zich het geval voor, dat de Staten een of meer vendels voor diensten buiten de stad noodig hadden; doch de Vroedschap was niet altijd evenzeer geneigd het wegnemen van een deel van het stedelijk garnizoen goed te keuren.

Toen in December 1578 eene schans bij Heusden opgeworpen was om aan de ruiters en soldaten van de Generaliteit, die in het, land van Altena en den Bommelerwaard op den boer teerden, den toegang tot Holland te beletten, stond de Vroedschap toe, dat één vendel tijdelijk in Weesp en Muiden gelegd zou worden, opdat de compagnie van hopman Cater uit die steden naar de schans zou kunnen worden verplaatst. Het- vendel zou echter-tegen „die aenstaende tyt vande navigatie" weer in de stad terug moeten zijn8), en tijdens zijne afwezigheid „behoorlicke service ende souldye"

de knegten binnen .Amsterdam, ofte ten minsten d'een helfte van dien, als onnoodigh sijnde daar eenige kneghten te houden." Vooral de laatste opmerking ademt den geest van Oldenbarnevelt (cf. diens Remonstrantie: hiervoor bl. 33), in wiens tegenwoordigheid dé resolutie genomen werd. Gemeentearchief Rotterdam: Resolutien van de Vroedschap, No. 3, bl. 539:12 Dec. 1578.

1) Missiven aan Burgemeesters en Regeerders van Amsterdam. Missiven van de Staten van Holland, 1572—1680. Arch. Burg. 11. — Afgedrukt uit het derde Privilegieboek in Handvesten I, bl. 50.

2) Doublet der rekeninge Reiniers van Neck voor de Staten, 1578, fol. 29 v° en ^1.

3) Met het oog op de vele vreemde zeelieden zou men dan een flink garnizoen zeer noodig hebben om eventueele aanslagen van den vijand, waarvoor men nog altijd vreesde, (cf. Confessieboek 1578—1586, fol. 44: 29 Dec. 1578) af te weren of te verhoeden.

Sluiten