Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nizoen niet uit de stad lichten'); de Burgemeesters werden gemachtigd toezicht op de soldaten te houden ter bevordering eener goede discipline2). Verder beloofde de Prins er de hand aan te zullen houden, dat het garnizoen maandelijks „van service ende besoldinghe" betaald zou worden „als anderen," zonder evenwel bepaaldelijk vast te stellen, dat dat uit de generale middelen zou moeten blijven geschieden3). De stad was toen echter reeds in het bezit van eene acte van de Staten, waarin haar de betaling uit de gemeene middelen toegezegd was, niet alleen van het Amstêrdamsche garnizoen, maar ook van dat van Weesp en Muiden, m.a.w. van het vierde vendel, dat toen reeds geruimen tijd in die stadjes verblijf hield4).

In het Concept tot afstand van de Satisfactie vroeg de stedelijke regeering — in aansluiting bij den toenmaligen toestand5) — een garnizoen van twee vendels a tweehonderd man onder twee kapiteins, die burgers der stad zouden moeten zijn. De soldaten zouden moeten worden betaald uit de gemeene middelen binnen de stad en haar vrijheid vallende6). Ze zouden mogen worden vermeerderd, verminderd of onder meer vendels verdeeld ter discretie van Zijne Excellentie.

Het verlangde garnizoen werd aan de Amstêrdamsche regeering toegestaan; art. 2 van het Contract tot afstand van de Satisfactie luidt: „Dat voorts de voorsz. Stadt beset sal blijven met twee Vendelen knechten, yeder tot twee hondert hoofden, onder twee Capiteynen, Burgers der voorsz. Stadt wesende."

De betaling uit de gemeene middelen werd slechts onder eene beperkende voorwaarde toegestaan (art. 3): „De welcke

In overeenstemming met art. 4 der Satisfactie. 2) Zij bezaten dat recht sedert 18 September 1578. Hiervoor, bl. 122. *) Hiervoor, bl. 49 en 50.

4) Hiervoor, bl. 48 en 50.

5) Hiervoor, bl. 133.

6) De Amstêrdamsche regeering hield toen niet meer — als enkele maanden tevoren — vast aan de betaling van de buiten Amsterdam vertoevende vendels van Rodenburgh en Cater uit de gemeene middelen. Hiervoor, bl. 134.

Sluiten