Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door haar aangestelde ontvangers zoowel in Amsterdam als in de andere Zuiderzeesteden *) laten innen. Hetgeen oorspronkelijk slechts „costume" geweest was, was men in later tijd als een privilege der stad gaan beschouwen, denkelijk op grond van een brief van Hertog Philips van Bourgondië, waarbij de stad in 1452 gemachtigd was het paalgeld een weinig te verhoogen; men was gaan spreken van ,,'t recht van de Paelkiste". Hoewel de Amstêrdamsche Burgemeesters bij de informatie in 1514 aan de commissarissen vertelden, dat de stad geen voordeel trok van de paalkist, schijnt die toch wel een voordeelig saldo te hebben afgeworpen. Nadat in 1527 de regeering van Kampen, met welke sedert dé veertiende eeuw moeilijkheden over de paalkist geweest waren, aan Amsterdam het oude recht harer stad om haar eigen zeetonnen te leggen tegen eene behoorlijke vergoeding en onder zekere voorwaarden had afgestaan, was de Amstêrdamsche regeering gedurende eene halve eeuw in het onverdeeld bezit van het recht der paalkist gebleven2).

De opstand bracht ook daarin verandering. Daar Amsterdam de zijde van den Koning hield, nadat geheel Noord-Holland opgestaan was, verkeerden de Burgemeesters in de .onmogelijkheid de zeetonnen te doen leggen. 9 Februari 1573 werd daarom door den Prins en de Staten het recht der paalkist aan Enkhuizen, toen de hoofdstad der Zuiderzee, geschonken3). Door deze stad werden sedert ten behoeve van de scheepvaart de tonnen gelegd, de kapen en bakens onderhouden; door haar werd sedert in de verschillende Zuiderzee-steden het door de schippers verschuldigde paalgeld geïnd.

De Spaanschgezinde Amstêrdamsche regeering heeft haar recht op de paalkist nooit willen opgeven. Tevergeefs trachtte

1) Behalve in Kampen.

2) Ter Gouw I, bl. 314 en 315; m, bl. 79 en 261; IV, bL 115 en 116; V, bl. 414. — Res. Vr. No. 4, fol. 33; 21 November 1578 wordt gezegd, dat de paalkist rechtens aan Amsterdam toekwam „bv coop als anders by octroye." Deze woorden slaan waarschijnlijk op de overeenkomst met Kampen van 1527 en op den brief van Hertog Philips van 1452.

3) Tbr Gouw VII, bL 81 en 82.

Sluiten