Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE HOOFDSTUK

De questie van de convooien (art. 14 van de Satisfactie)

Bij art. 14 der Satisfactie was bepaald, dat Amsterdam het innen der convooigelden, door Holland en Zeeland vastgesteld of by „ghemeene bewilhnghe" van de Staten nog vast te stellen, binnen de stad moest toelaten *).

In het voorjaar van 1578 was de questie der convooigelden juist aan de orde2). Terwijl tot nog toe de Staten van Holland en Zeeland convooi- en licentgelden ten eigen behoeve hadden geheven, trachtten nu de Staten-Generaal hen over te halen deze provinciale heffingen te vervangen door een der generale middelen, waartoe dat college besloten had, nml. door de generale middelen op de uitgaande en inkomende waren3).

1) De tweede helft van art. 14 luidt: Des soo sullen die van Amsterdamme, omme des noots wille, daer inne sy sijn, ghedoghen dat de Convoygelden by die van Hollant ende Zeelant voornoemt opghestelt, ofte by ghemeene bewillinghe van den Staten op te stellen, mede ontfangen worden binnen de voornoemde Stede, onvermindert heure Privilegiën ter contrarien, ende sonder dat 't selfde ghetrocken sal worden in consequentie.

2) De questie van de omzetting van de convooien en licenten van gewestelijke in generale middelen is door Dr. H. e. Becht slechts even aangeroerd in zijne dissertatie Statistische gegevens betreffende den handelsomzet van de Republiek der Vereenigde Nederlanden gedurende de 17e eeuw(1579—1715), 1908, bl. 73 en 74. Zijne korte mededeelingen berusten geheel op oudere auteurs en op het Groot-Placaetboeck. — De uitgave der drie eerste deelen van de Resolutien der Staten-Generaal heeft een onderzoek naar deze questie nu zeer vergemakkelijkt.

3) Resolutien der Staten-Generaal II, bl. 268: No. 634, 637, 640; bl. 321, vl.: No. 737": eene instructie voor Bergen c.s., dato 8 Mei.

Sluiten