Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Provinciën tot aan de komst van Leicester (1579—1585) vertelt Dr. P. L. Muller over deze zaak verder nogx): „Men zond de leden Heukelum, Van Ommeren, Braeckel en Thin naar Amsterdam2) om er de regeering kennis van te geven, die erden volgenden dag groot bezwaar tegen opperde. Het College protesteerde hiertegen, verklaarde het onmogelijk om anders te handelen, en zocht Amsterdam te bewegen toe te geven, daar zoo Holland voorging, de overige provinciën zich van zélf zouden verzetten. Het mocht dit bereiken3) door eene verandering in een besluit van den vorigen dag, dat bepaalde dat alle provinciën de uitgaande goederen onder cautie zouden laten vertrekken. Men gaf nl. toe aan Amsterdam, dat men, zoo het mogelijk was, die cautie zou terugbetalen."

Uit de resoluties van de Staten van Holland laat zich nog duidelijker opmaken, dat het College der Nadere Unie teruggekomen is op zijn besluit om dadelijk de binnenlandsche convooien te gaan heffen. Voorloopig zou gedurende eene maand „alomme inde Provincie" opschrijving en borgstelling plaats vinden van alle goederen, die uit het eene in het andere gewest zouden worden vervoerd, om op deze wijze „middelertijdt te mogen sien wat het selve Recht (zou) mogen importeren." De Staten, op wie de klachten van den Prins, van

!) Ik ontleen het volgende aan Muller, daar de Vroedschapsresoluties hierover zwijgen. Er worden wel twee bezoeken van afgevaardigden van het College der Nadere Unie bij Burgemeesteren vermeld, doch beide met een ander doel: nml. het eerste op 12 October 's morgens over geld ten behoeve van de ruiterij (Res. Vr. No. 4, foL 138 en V: 12 Oct. 1580) en het tweede op 13 October over het leenen van garnizoen ten behoeve van eene naburige stad. (t. a. pl., fol. 138 v°: 13 Oct. 1580).

2) Het College vergaderde toen nog in Amsterdam; Muller vertelt zelf op bl. 138 en 139, dat het pas 14 October naar Utrecht schijnt te zijn vertrokken met achterlating van een vijftal leden.

s) Deze mededeeling is waarschijnlijk onjuist; cf. Res. St. v. Holl. 1580, bl. 222: 14 Oct, waar we lezen, dat „de 36 Raden na alle vermaningen [nl. van die van de Nader Geünieerde Provinciën] daer toe [d.w.z. in de opschrijving en borgstelling] niet hebben willen verstaen, maer verklaert daer in niet te sullen consenteren, om de laetste Man te verlesen (1: verliesen]." — Over die concessie .staat niets in de Staten-resoluties.

Sluiten