Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over het tweede punt: „dophchtinge vanden penninghen die .aireede vanden voorsz. convoyen zyn gecommen" werd in de Staten niets besloten. De Amstêrdamsche Vroedschap had geoordeeld, dat dat geld gerestitueerd zou moeten worden, als gekomen van eene onwettige heffing, of dat tenminste „die beschadigden van heur schade ende interest deurt impeschement geleden, eerst daer vuyt gerecompenseert" zouden moeten worden; het overschot zou dan ten voordeele van de algemeene zaak aangewend kunnen worden 1).

De Amstêrdamsche Vroedschap had de mogelijkheid onder de pogen gezien, dat én alle Hollandsche steden én de Prins van Oranje in de heffing zouden toestemmen ; ze had haar gedeputeerden gemachtigd in dat geval in de binnenlandsche convooien te bewilligen 2). Deze overeenstenuning bestond echter niet. Wel waren de Hollandsche steden eensgezind vóór de heffing, doch de Prins had bezwaren. Ten eerste achtte bij het ongewenscht, dat de opbrengst binnen Holland vallende gebruikt zou worden voor het particulier belang dier provincie; ten tweede had hij aanmerkingen op de convooilijst I.

Zijne bezwaren werden gedeeld door de Staten-Generaal, in wier vergadering — althans volgens de Amstêrdamsche gedeputeerden — de binnenlandsche convooien „afgedaen" warén 4). Toch zonden de Staten van Holland 19 Januari 1581

1) Res. Vr. 'No. 4, fol. 145 : 28 Nov. 1580. De bedoeling der Vroedschap was dus aan de Amstêrdamsche kooplieden het hun met geweld afgenomen binnenlandsch .convooigeld te doen terugbetalen of hun tenminste schadevergoeding te bezorgen voor alle schade en fast hun door die gedwongen heffing aangedaan. De door Jacob van Campen en Jan Laurensz. Spiegel gehouden registers zouden hierbij goede diensten kunnen bewijzen. Hiervoor, bL 166. /

2) Res. Vr. No. 4, fol. 145 : 28 Nov. 1580.

8) Res. St v. Holl. 1581, bl. 19: 19 Jan. De Prins schijnt het convooi gesteld op boter en kaas, twee van de groote Hollandsche uifvoerproductea, te hoog geacht te hebben. Hij kwam dus voor het belang der andere provincies op.

4) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 19:18 Jan. nam. Heeft „afdoen" hier dezelfde beteekenis als in „eene afgedane zaak", d.w. z. eene zaak, die teneinde gebracht,

Sluiten