Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

murmuratie ende turbatie onder den burgeren (zou) oprysen", daar er „oick nog veele resteert te ontfangen vanden hondertsten penningh die by deser stede althans werdt geccllecteert"1).

De Staten heten zich door die herhaalde weigering niet afschrikken: van hunnentwege kwamen zelfs Jhr. Joan van Matenes en Mr, Adriaan van der Mijle, die als commissarissen „tot de effectueering der Satisfactie" in het afgeloopen voorjaar in Amsterdam vertoefd hadden en deel genomen hadden aan de Alteratie, in Amsterdam aan en bepleitten de publicatie van het plakkaat en de heffing van den honderdsten penning eerst voor de Burgemeesters, daarna voor de Vroedschap. Tevergeefs trachtten zij de zes-en-dertigen tot toegeven te bewegen door mede te deelen, dat de Staten bij hernieuwde weigering genoodzaakt zouden zijn „weder versaemelinghe vande Staten te doen ende op nyeus resolutie opt collecteren van den hondersten penningh te nemen", ditmaal dan in het bijzijn van Amstêrdamsche gedeputeerden. De Vroedschap bleef op haar stuk staan; de motiveering van haar besluit werd aan de commissarissen ter hand gesteld2).

De overkomst der Staatsche commissarissen bleef echter niet zonder uitwerking; de argumenten door deze oude medestanders uit de woelige Meidagen te berde gebracht hadden niet nagelaten ernstigen twijfel te wekken aan de rechtmatigheid van het eigen standpunt, ook al had men formeel het recht zoowel de publicatie van het plakkaat als de heffing der belasting te weigeren. Daarenboven adviseerden kort daarop de stadsadvocaten in Den Haag, de Heeren Johan

4 Res. Vr. No. 4, fol. 23 en v»: 3 October 1578. — Met het heffen van dezen stedelijken honderdsten penning had de magistraat vóór de Alteratie — daartoe gemachtigd bij het slot van art. 15 der Satisfactie — reeds een begin gemaakt; de nieuwe regeering had de heffing op den zelfden voet voortgezet. Res. Vr. No. 4, fol.' 8: 25 Juni 1578. — Het slot van art. 15 luidt: „Welverstaende dat die voornoemde van Amsterdam binnen der selver Stede eenpaerlijck sullen moghen ommeslaen, om te vervallen heure lasten ende schulden, den hondertsten penninck over de onroerende goeden aldaer." Handvesten I, bl. 46.

*) Res. Vr. No. 4, fol. 26 en v<>: 25 October 1578.

Sluiten