Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als grondslag der nieuwe schatting moesten de commissarissen voor den honderdsten penning van 1579 aannemen de huurwaarde van Mei 1579 tot Mei 1580, voor den vijftigsten penning van 1580 die van Mei 1580 tot Mei 1581, „ten ware veranderinge vande huyre (zou) zyn gevallen" tusschen die twee laatste data1). Op die wijze werd tegemoet gekomen aan de vele klachten der Amsterdammers, dat door de taxateurs de hooge huren van het voorjaar van 1578 tot basis hunner taxatie was aangenomen.

Waarschijnlijk zal de revisie, waartoe van Amstêrdamsche zijde Claes Simonsz. van Heemskerck en Gerrit Jacobsz. Schaep hebben meegewerkt, tot genoegen van belanghebbenden geschied zijn2). Mogelijk is sedert spoedig daarna de tweede termijn van den vijftigsten penning door de Amstêrdamsche burgers opgebracht, en is bij die gelegenheid het bij den eersten termijn te veel betaalde verrekend3).

Daar het remboursement van de vele duizenden guldens, die door Amstêrdamsche burgers ten behoeve van het gemeene land van Holland waren opgebracht, geassigneerd was

1) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 196: 1 Mei nam.

2) Res. Vr. No. 4, fol. 153 en v°: 22 April 1581. In deze resolutie wordt gesproken van „Gerardt Schaep mede Raedt." Ik heb hem in den tekst genoemd volgens de opgave van Elias.

s) Confessieboek van 1578 tot 1586, fol. 197 v° en 198: een burger had zich 13 Sèpt. 1581 „insolentelick gedragen tegen eenige soldaten, die gecommitteerd waren tot de executie van den honderdsten en van den vijftigsten penning.— Als voren, fol. 201.' vl.: 30 November 1581 ontstond een relletje tusschen burgers en soldaten, die door de Burgemeesters gezonden waren ten huize van Jan Evertsz. Broer om daar den vijftigsten penning te executeeren. — Tot executie zal waarschijnlijk pas na hét verstrijken van den tweeden termijn zijn overgegaan. — Uit eene missive van de Staten aan de Amstêrdamsche Burgemeesters, dato 13 Oct. 1581, waarin reeds sprake is van de liquidatie van den vijftigsten penning, waartoe de weduwe en erfgenamen van wijlen den ontvanger Reynier van Neck aan de Burgemeesters een staat van de inkomsten, restanten en betalingen moesten overleveren laat zich afleiden, dat toen de tweede termijn binnen de stad reeds was opgebracht. Ten plattelande, onder het ressort der Amstêrdamsche regeering, was dat toen nog niet overal het geval. Missiven aan Burgemeesters en Regeerders van Amsterdam. Missiven van de Staten van Holland 1572—1680.

Sluiten