Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den vijftigsten penning in Amsterdam l), had in 1582 gelijktijdig de liquidatie van den vijftigsten penning en van die door de stad geleende sommen, groot f 46.000 en f 16.200, plaats2).

In de twee eerste hoofdstukken hebben wij gezien, hoe de Amstêrdamsche regeering tijdens de onderhandelingen over den afstand van de Satisfactie steeds getracht heeft om, in ruil voor haar toetreden tot de gemeenschap der oude schulden van Holland, vrijstelling te verkrijgen van den honderdsten penning van 1578 en hoe dat streven ten slotte met succes bekroond is. Bij art. 8 van het Contract tot afstand van de Satisfactie werd aan de stad daarenboven ook de door haar begeerde halve -honderdste penning van 1579 toegewezen3). Van eene toewijzing van de helft van den vijftigsten penning van 1580, waarop zij ook aanspraak gemaakt had, is evenwel niets gekomen.

Daar de honderdste penning van 1578 in Amsterdam nooit opgebracht was, had de toewijzing van die heffing geen verrekening ten gevolge. De afrekening over den honderdsten penning van 1579 schijnt in 1583 te hebben plaats gevonden4); hetgeen door de stad indertijd meer afgedragen was dan de helft van de opbrengst volgens de nieuwe kohieren zal haar toen door de Staten krachtens art. 8 van het Contract zijn gerestitueerd.

1) Ook de inkomsten van den vijftigsten penning in Rijnland waren voor die terugbetaling verbonden: Res. St. v. Holl. 1.581, bl. 208: 24 Mei. — Rap. v. thes. 1581, fol. 119 v°: de tresorier Pieter Roding Albertsz. deed twee reizen naar Leiden om daar van Cornelis Claesz. van Aecken, ontvanger van den vijftigsten penning over Leiden en Rijnland, te ontvangen eene som gelds, waarop Amsterdam geassigneerd was in remboursement van het geld door Amstêrdamsche burgers opgebracht ten behoeve van het gemeene land van Holland. — Dergelijke posten: t. a. pl., fol. 120 v° en 122 v°.

-) Rap. v. thes. 1582, fol. 118 v°: Roding reisde in 1582 tweemaal naar Den Haag ten behoeve van die liquidatie.

3) De eerste helft van art. 8 luidt: „Des sullen die van Amstelredam voor hen behouden den hondersten penningh vanden Jare 1578 ende de helft van den hondertsten penning van den Jare neghen-ende-seventigh." Handvesten I, bl. 48.

4) Hiervoor, bl. 195.

Sluiten