Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE HOOFDSTUK

DE QUESTIE VAN DE KLOOSTERGOEDEREN

(art. 19 van de Satisfactie)

23 Augustus 1572 was door de Staten van Holland een plakkaat uitgevaardigd, volgens hetwelk alle goederen van geestelijke en wereldlijke personen, die uitgeweken waren, moesten worden geannoteerd. 10 Februari 1573 werd de annotatie ook Uitgestrekt tot de bezittingen „van de Conventen, Kercken, Kloosteren ende geestelycke Persoonen, ons en de ghemeene saecke als noch niet toegedaen" 1). Krachtens dat laatste plakkaat hebben de Staten de hand laten leggen op Amstêrdamsche conventuale goederen buiten het stadsgebied gelegen2). Van eene annotatie der kloostergoederen binnen de stad kon geen sprake zijn, daar Amsterdam de zijde van den Koning hield.

Bij de resolutie van 15 Mei 1575 was aan dé stedelijke magistraten het dispositierecht verleend over „alle de Aedificien van Kloosters ende Conventen, met de Boomgaarden, toebehooren ende het begrip van dien", binnen hunne steden staande," maar hadden de Staten zich nog het recht van approbatie van eventueele beschikkingen voorbehouden8). 23 Mei 1577 gaven de Staten ook dat recht prijs; sedert beschikten de stedelijke overheden als eigenaars over „alle Conventen ende Cloosteren binnen de Steden, mitsgaders de Edificien,

x) Mr. j. F. van beeck Calkoen: Onderzoek naar den rechtstoestand der geestelijke en kerkelijke goederen in Holland na de reformatie, 1910 [diss. Vrije Universiteit], bl. 40 en 41.

s) Hierover straks nader; bl. 206.

3) Res. St. v. Holl. 1575, bL 286 en 287: 15 Mei.

Sluiten