Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„van Stadts wegen" te „alimenteren ende onderhout doen hebben heur leven lanck tzy int clooster ten Zyecken (d.i. het St. Jorishof) oft op andere plaetsen" 1). Daar de alimentatie van stadswege werd verstrekt, kunnen we zeggen, dat dit klooster toen reeds door de stad in bezit genomen was -). Inkomsten trok Amsterdam gedurende 1578 niet uit dat convent; in den rapiamus hadden de tresorieren slechts de betaling van nog uitstaande schulden te boeken3). Wat met de goederen der monniken, opgeslagen in een pakhuis aan de vesten achter het Ursulenklooster, gedaan is, is mij niet gebleken4). De kerk, die dadelijk na de Alteratie — hetzij op bevel van het Comité van de Alteratie, hetzij door beeldenstorm — van altaren, e.d. ontdaan was5), werd toch slechts eenmaal voor eene Hervormde godsdienstoefening gebruikt: 8 Juni werd in dat kerkgebouw de kerkeraad bevestigd in

!) Res. Vr. No. 4, fol. 2:31 Mei 1578. — Uit aanteekeningen van 1581, overgeschreven uit het Rekenboek van St. Jorys capelle en uit het Lijfrenteboek van het Weeshuis, blijkt, dat ze werden opgenomen in het St. Jorishof. In den loop van 1581 is de laatste overleden. Portef.: Oude Kloosters der stad Amsterdam, voorregten, eygendommen en bedelbrieven der monniken, etc.; in het omslag: Klooster der Minderbroeders. — Het Lijfrenteboeck van 't oude Weeshuys No. 2, fol. 179. — B. H. Klönne: Amstelodamensia, 1894, bl. 9: De geestelijkheid in de eerste jaren na de Hervorming, bl. 9: vertelt — zonder opgaaf van zijne bron — dat niet alleen de drie oude achtergebleven Minderbroeders „een vast jaargeld voor hun levensonderhoud, alsmede vrije woning in het St. Jorishof" van de nieuwe stadsregeering ontvingen, maar dat „ook de Pater Gardiaan ab Ischa en Broeder Hendrik van Biesten dat mededoogen (genoten)." De juistheid van deze laatste mededeeling is mij nergens gebleken.

2) Volgens den toenmaligen regel, dat degene, die een klooster in bezit nam, voor de alimentatie der conventualen moest zorgen.

3) Rap. v. thes. 1578 na de Alt, fol. 109. — Dergelijke posten nog: Rap. v. thes. 1582, fol. 185 v» en 1584, fol. 210 v«.

4) Daarheen waren de goederen, die op 26 Mei en vier volgende dagen door een deel van het vendel van Jonkheyn bewaakt waren, overgebracht. Hiervoor, bl. 209, noot 1. Rap. v. thes. 1578 na de Alt., fol. 157.

5) Hiervoor, bl. 208, noot 4. — In een brief van den uitgezetten magistraat aan de Staten-Generaal, dato 30 Mei 1578, wordt gezegd: „ende zijn voor voor (1: voorts). St. Nicolaes Prochie die Heylighe stede ende der voorscreven Minnebroederenconvent ontledicht van altaren, beelden," etc, waaruit men weer

Sluiten