Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens Wagenaar werden in 1580 de weezen in het St. Luciënklooster overgebracht Het convent had een uitgang in de Kalverstraat „voor welken, in 't volgende jaar, eene fraaije hardsteenen Poort, met twee huizen ter wederzyde gestigt werden." Het vroegere weeshuis werd sedert verhuurd1).

De overdracht van het St. Luciënklooster aan het Weeshuis is geheel in den zelfden vorm geschied als die van de conventen der Oude en der Nieuwe Nonnen aan de gasthuizen. De regenten van het Weeshuis konden dus dadelijk na de overdracht als eigenaars der kloosterbezittingen optreden.

Hoe zwaar aan de conventualen het verlaten der kloosters gevallen mag zijn, toch kunnen we bij alle reeds besproken en nog te bespreken transacties niet anders constateeren, dan dat voor de materieele belangen der kloosterlingen behoorlijk gezorgd werd. Werd zonder twijfel eene bevoordeeling der stedelijke godshuizen beoogd, de wethouderschap schroomde toch niet de regenten dezer gestichten te nopen tot het uitkeeren eener alimentatie hooger dan de toenmalige inkomsten der betreffende kloosters. Na verloop van een zeker aantal jaren wijzigde zich de staat van inkomsten en uitgaven door het overlijden der rentetrekkenden ten gunste der godshuizen. Bovendien kon men in de eerste jaren na de Alteratie de hoop koesteren, dat de inkomsten der conventen, die bijv. uit landrenten, e.d. werden genoten, bij eene verbetering van den algemeenen landstoestand van zelf zouden stijgen.

In den loop van 1579 nam de stedelijke regeering een paar

levensonderhoud herhaaldelijk verhoogd werden. Voor het jaar 1579 kunnen de cijfers niet gelden, daar toen de alimentaties slechts f 754 bedroegen.

De schrijver deelde de cijfers mee „om hen den mondt te stoppen die het zoo zeer op de Regeeringe der stadt gelaeden hebben als hadt zy haer handen geslagen in de geestelyke goederen en de gebleven Nonnen en monniken rampzaelig onderhouden." Deze opmerking blijft haar waarde behouden, als we bedenken, dat de alimentatie in 1579 een derde meer bedroeg dan de kloosterinkomsten.

i) Wagenaar: Amsterdam, Stuk II (Deel UI, Boek IV), fol. 276.

Sluiten