Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zaak werd aan Burgemeesters gecommitteerd." Van Beeck ». Calkoen vervolgt: „Het komt mij voor, dat in dit geval de stad de goederen van het St. Ceciliaklooster aan zich had genomen, maar dat de conventualen onwillig waren hunne goederen over te dragen. Tot dwang wilden de Burgemeesters niet overgaan, veronderstel ik, alweder wegens het 19e artikel der satisfactie; maar nu er gevaar bestond, dat de goederen zouden worden verduisterd, vraagden zij aan de Vroedschap maatregelen daartegen te nemen. De stadstresorieren zouden de administratie van het klooster op zich nemen, en zoo zou feitelijk eene overdrachtNtforden bewerkt."

De gegevens ontbreken ons om ons eene duidelijke voorstelling te maken van wat er eigenhjkmet^it klooster gebeurd is. Dit eene staat vast: het klooster hield in 1580 niet op te bestaan. Het bestond nog in het laatst van 1583 of in het begin van 1584, want het komt voor op den „Staet". Het had toen jaarlijksche inkomsten ten bedrage van ruim f653 en jaarlijksche uitgaven ten bedrage van ruim f 30, en telde nog 27 nonnen. Dat de Prins van Oranje in 1581 gedurende enkele maanden'op het Prinsenhof, d.w.z. in het St. Ceciliaklooster, heeft vertoefd1), kan niet als bewijs gelden, dat de stad toen reeds de beschikking over dit klooster had: ten allen tijde immers hebben groote heeren wel hun intrek in kloosters genomen j). Misschien doen we toch het best te veronderstellen, dat de nonnen de stad in den loop van 1580 verlaten hadden en dat de stedelijke regeering de leegstaande gebouwen naar welgevallen^ gebruikte. Daar geen transport der kloostergoederen in ruil voor alimentatie had plaats gehad, mocht de inventaris van het convent niet in den meergenoemden „Staet ontbreken.

zal in 1579 toch wel een voogd zijn aangesteld? Als mijne veronderstelling juist is (cf. bl. 242), dat de nonnen de stad in 1580 verlaten hebben, is het begrijpelijker, dat men alle betalingen niet wilde doen geschieden ba den voogd, maar bij de tresorieren.

1) Hiervoor, bl. 59.

2) Voorbeelden bij TBR Gouw IV, bl. 227, 253, 257 en 283.

s

I

Sluiten