Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leggen1). Daar alle verdere gegevens over dezen voorgenomen verkoop ontbreken, is het onmogelijk uit te maken, welke kloostergoederen in de biljetten genoemd zullen zijn. Het komt mij ondenkbaar voor, dat de stedelijke regeering de bezittingen van kloosters, met welke nog geene overeenkomst getroffen was, zou hebben aangeslagen. Waarschijnlijk heeft in het begin van 1581 eene veiling van perceelen van het Minderbroedersklooster plaats gehad2); het plan daartoe kan echter onmogelijk bij de Staten op zulke bezwaren gestuit zijn. Dat toen ook landerijen van dat convent zouden verkocht zijn, blijkt uit de ons onvolledig ten dienste staande bronnen niet.

Bij de onderhandelingen tot afstand van de Satisfactie heeft ook de questie der geestelijke goederen een punt van bespreking uitgemaakt. Nog in Maart 1580 beschouwden de Burgemeesters art. 19 der Satisfactie als een der drie voordeeligste punten van dat contract3). De stedelijke regeering wenschte het — bij het aangaan van een nieuw accoord met de Staten — ongerept te bewaren, „als nyet die Stadt maer die geesteheken apart ende int besonder competerende." De Staten zouden moeten beloven zich niet te zullen verzetten tegen „die opdracht ende vercopinge by enighe geestelicke aende armen ende haer regenten binnen deser Stadt gedaen off alsnoch te doen" 4).

In de tweede uitspraak had de Prins in art. 6 de klooster-

1) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 18: 18 Januari.

Daar het register der kwijtscheldingen No. 9 verloren gegaan is, weten we daarover slechts weinig; in Quytscheldingen 10 komen op fol. 3, vl. transporten dato 20 Juni 1581 voor van perceelen van het Minderbroedersklooster. Daar de meeste veilingen in of omstreeks de twaalf nachten gehouden werden, zullen we wel niet mistasten, als we den verkoop op Januari 1581 stellen.

Daar de vroedschapsresoluties over Januari 1581 ontbreken, laat zich over de veilingquestie niet meer licht verspreiden.

*) Hiervoor, bl. 39.

4) Hiervoor, bl. 55.

Sluiten