Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

, ghelegen, sullen deselve by bewillinge vande Staten Generael van Hollandt [daer op beschreven zijnde] beneffens d' andere Geestelijcke goederen van Hollant tot betalinge van des gemeene Landts schulden ende lasten moghen worden geemployeert, mits den Conventualen binnen Amsterdam behoorlijcke alimentatie, in conformite van andere Steden, doende, en de Magistraten tot profijte vande selveh conventualen daer voren goede versekertheyt stellende" 1).

Amsterdam werd dus wel gemachtigd alle kloostergebouwen, -huizen en -erven binnen de stad tot zich te nemen2), maar de verdere kloosterbezittingen zouden — na verkregen bewilliging van de Staten van Holland — gebruikt mogen worden tot afbetaling van de schulden van het gemeene land, dat in ruil daarvoor de alimentatie der conventualen op zich zou nemen3).

In art. 10 werden de beschikkingen door elk der beide partijen genomen vóór dato van dit Accoord van weerszijden erkend. Het artikel luidde:

„Ende so vele de Gheestelijcke goeden aengaet, so wel den

1) Handvesten I, bl. 48.

2) Van Beeck Calkoen, t.a.pl., bl. 268 en 269, en noot 1, meent, dat de bedoeling van de Staten was aan Amsterdam den vrijen eigendom van deze gebouwen, etc. te schenken, terwijl volgens hem de resolutie van 23 Mei 1577 bedoelde van de kloostergoederen een eigendom sub modo aan de steden over te dragen, d.w.z. onder voorwaarde, de inkomsten tot pieuze doeleinden aan te wenden. — Zijne conclusie (op bl. 269): „De conventuale goederen binnen stadsterritoir zouden alzoo door de stad in eigendom mogen genomen worden" — zou ik — volgens de hiervoor op bl. 205, noot 2 gegeven uiteenzetting — weer zoo willen wijzigen: De kloostergebouwen, -huizen en -erven binnen stadsterritoir zouden alzoo door de stad in eigendom mogen genomen worden.

*) Het artikel is door Dr. P. Scheltema in Aemstel's Oudheid, I, bl. 19: De voormalige kloosters van Amsterdam in het algemeen beschouwd, bl. 33 zóó opgevat, dat aan de stad alle gebouwen en erven der geestelijken, binnen haar muren gelegen, werden toegewezen, doch „onder voorwaarde, dat in het onderhoud der kloosterlingen te Amsterdam door het stedelijk .bestuur op eene behoorlijke wijze voorzien werd". Dat deze opvatting onjuist is, behoeft wel geen nader betoog.

Sluiten