Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De meeste perceelen vonden een kooper 1). Van het Cellezustersklooster schijnen slechts enkele Huizen in de Molensteeg verkocht te zijn2); de veiling van het Margrietenklooster moest zich — noodgedwongen — beperken tot huizen, die aan dat convent toebehoord hadden3). Het klooster zelf werd toen — zonder advies van het stadsbestuur — bewoond door weesmeisjes.

Eenigen tijd tevoren4) hadden „de gepretendeerde fundateurs ende regenten van het arme meyskens buys binnen deser stede" „coop gedaen" „mette mater ende procuratrixs eertyts vanden convente'van Sint Margrieten inden Nes ende Dirck Jan Deijman haer waerlicke voocht" ten behoeve van de weesmeisjes van „die spincamer, den reventer, die koockens mettet poorthuys, met een kelder onder tpaters huys, tvoorste

1) lste Register van verkogte Erven, etc., fol. 10, vl. — Als veilingsdata in Rap. v. thes. 1584, fol. 217: 20 en 21 Dec. 1584.

2) lste Register van verkogte Erven, etc., fol. 2 en v°.

s) Rap. v. thes. 1584, fol. 219: de veiling had plaats — gelijktijdig met die van huizen in de St. Nicolaasstraat — op 18 en 19 Jan. 1585. — De huizen in de St. Nicolaasstraat hadden toebehoord aan het klooster van St. Geertruida; eene andere partij van die huizen was tegelijk met de St. Jacobskapel verkocht op 5 Jan. 1585. Rap. v. thes. 1584, fol. 217. — Volgens het uitgifteboek werden in Januari ook verkocht perceelen van het Cellebroedersconvent en huizen van St. Ursula. l»te Register'van verkogte Erven, etc., fol. 7 v° en 8, fol. 1 v°en2.

*) T^. C. M. H. van Rijckevorsel: Geschiedenis van het R. C. Maagdenhuis te Amsterdam 1570—1887, bl. 18: in het laatst van 1578 of in de eerste dagen van 1579. Hij veronderstelt, dat de nonnen* van het St. Margaretha convent zich in de stad verspreid hadden en het contract sloten „in de hoop haren eigendom aldus, nu het geen klooster meer zoude zijn, beter tegen verbeurdverklaring te kunnen vrijwaren." — Dat die hoop ijdel is gebleken, was geen wonder, daar de overdracht bewerkstelligd was buiten medewerking van het stadsbestuur. — We hebben hiervoor gezien (bl. 249), dat Wagenaar meende, dat de meeste nonnen na de Alteratie de stad verlaten hadden. Enkele nonnen zullen in het klooster zijn achtergebleven; immers zij droegen niét het geheele convent aan de weeshuisregenten over, doch slechts groote stukken. Later zullen ook de overgeblevenen vertrokken zijn en is de stad tot verhuring der door haar bewoonde deelen overgegaan. Hiervoor, bL 249: de verhuring van het'paterhuis en het turfhuis in 1582.

C. 17

Sluiten