Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klooster werd sedert het tuchthuis gebouwd1).

Toch treffen we in 1611 in de woningen van het klooster nog een Claris aan, terwijl in 1613 „de gemeene conventualinnen van de conventen" samen in het Clarissenklooster gehuisvest blijken te zijn2).

Ten slotte een enkel woord over de kloosterkerken. We hebben gezien, dat in 1579 de klokken uit de kloosters gehaald waren op bevel van Burgemeesters 3). Het lot van de Minder» broederskerk en van de kerk van het Paulinianenklooster hebben we besproken4). Ook de overige kloosterkerken werden door het stadsbestuur niet onaangetast gelaten, misschien met uitzondering van die van het Clarissenklooster, in welke immers in 1589 nog heimelijk de Roomsen-Katholieke eeredienst werd uitgeoefend. In den loop van jaren werden verhuurd de kerken van St. Clara, van St. Margaretha, van Betaniën, van St. Ursula, van de Cellebroeders, van St. Barbara, van St. Agnieten, van St. Geertruida en van de Cellezusters6). Van enkele 'weten we met zekerheid, dat ze als opslagplaats van koopmansgoederen gediend hebben; in de kerk van Si-Margaretha werd een tijdlang o.a. hop geborgen6), in die van Betaniën wijn7).

Te beginnen met Januari 1588 worden zoo nu en dan ook kerken en „partyen" van kerken geveild. In het uitgifteboek treffen we aankondigingen aan over verkoopingen van de

1) Wagenaar: Amsterdam, Stuk H (Deel III, Boek IV), fol. 250: „'t Liep echter nog eenigen tyd aan, eer het Tugthuys tot stand gebragt was. In April des jaars 1595, was het volbouwd."

2) Resolutieboek van thesaurieren ordinaris, 159*1—1626, fol. 40 en Res. Vr. No. 11 (of nieuw nummer 10), fol. 183: 29 Nov. 1613; beide resoluties afgedrukt door B. H. Klönne, t. a. pl., bl. 36, noot 1 en bl. 37, noot 1.

*) Hiervoor, bl. 236.

4) Hiervoor, bl. 219 en 220; bl. 241.

6) Voor deze verhuringen de rubrieken van verhuringen der stadshuizen in de rapiamussen van 1582 en volgende jaren.

«) Rap. v. thes. 1584, fol. 129 v°.

7) Rap. v. thes. 1584, fol. 130.

Sluiten