Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kerken van St. Barbara, van de Cellebroeders, van St. Clara, van de Cellezusters en van StGeertruida.J) Ook deze veilingen hadden niet altijd succes: „partien" van de kerk van St. Barbara werden achtereenvolgens in 1588, 1590 en 1592 onder den hamer gebracht2), deelen van die der Cellebroeders in 1589 en 1594 3).

In de kerk van St. Ursula is in het voorjaar van 1586 de Engelsche munt gedurende twee maanden gevestigd geweest4). Die van St. Agnieten werd in het volgend jaar door de admiraliteit in gebruik genomen5).

De vleeschhal, die krachtens het vroedschapsbesluit van 10 Mei 1586 gevestigd was in de kerk van St. Geertruida, werd in den loop van 1587 op verzoek der vleeschhouwers verplaatst naar de kerk van St. Margaretha in de Nes. Ze werd sedert, ter onderscheiding van de groote hal in de voormalige kerk van het St. Pietersgasthuis, de kleine vleeschhal genoemd6).

Aan Wagenaar ontleen ik, dat 's Lands Convooi-Comptoir, dat eerst in het voornaamste deel van het Cellezustersklooster

J) l«te Register van verkogte Erven, etc, foL 41; 47 v°.j 196 en v°; 198; 200—201.

2) Als voren, fol. 41 en v°j 55 en v°; 67 en v°.

3) Als voren, fol. 47 v°; 122—123.

*) Rap. v. thes. 1586, fol. 96: „In volder betalinge tien gulden door dat hy de kerck een vierndel jaers voor syn tyt ruymen most door dat die Engelse munt daer in geordonneert was ende omtrent 2 maenden in gemunt hebben." — Ik cursiveer,

Dr. P. Scheltema: De Graaf van Leicester, te Amsterdam, in de jaren 1586 en 1587, bl. 8 zegt: „Ofschoon Amsterdam niet behoorde tot de steden, welke hij het eerst met een bezoek vereerde, ontving het echter al spoedig een bewijs van zijne goede gezindheid, door de vergunning tot het oprigten van eene munt alhier, onder opzigt van zekeren Hans de Vlaming. Hiertoe werd een der verlatene kloosters [1: de kerk van St. Ursula] ingerigt; doch het misnoegen daarover van de stad Dordrecht, die beweerde alleen het regt der munt te bezitten, was oorzaak dat het voornemen, om in Amsterdam te munten geenen voortgang had." Uit den rapiamus blijkt, dat er toch gedurende twee maanden gemunt is.

6) Rap. v. thes. 1587, fol. 114 v°.

•) Res. Vr. No. 5, fol. 293 en 294: 10 Mei 1586; fol. 456:15Maart 1587 wagenaar: Amsterdam, Stuk II (Deel III, Boek I), bl. 39.

Sluiten