Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Satisfactie zal aan de Amstêrdamsche burgers de weg van justitie open blijven staan 1).

In deze overeenkomst over de renten werd ook eene zinsnede over de kloosters in Amsterdam ingelascht. Ter andere plaatse *) hebben wij besproken, dat de Burgemeesters verplicht werden om aan de Staten over te leveren een inventaris van de conventuale goederen, met eene opgaaf van het getal, de namen, den rang en den ouderdom der te alimenteeren kloosterlingen, opdat art. 9 van het Contract zou kunnen worden ten uitvoer gelegd3).

Door de Staten werd nu spoed gemaakt met de verkooping der domeinen. Er hebben twee veilingen plaats gehad, de eene van de domeinen in het kwartier van Holland, de andere van de domeinen van de vroonen buiten Alkmaar. Tegen de veilingsvoorwaarden voor beide verkoopingen had Amsterdam bezwaar; had de stad zich in Augustus 1583 bepaald tot een protest tegen de condities voor de eerste veiling, in September dreigde zij met doleantie bij den Prins en noncomparitie in de dagvaart, als de voorwaarden voor de tweede verkooping niet naar haar genoegen veranderd zouden worden. Zij had er bezwaar tegen, dat de Staten aan de koopers van domeinen wilden toestaan de koopsom met rentebrieven te voldoen, terwijl zij „nochtans deser Stadt by solempneel accordt belooft hebben die te vercoopen, te betalen met gelde ende daer mede te lossen die renten die deser stadt opden domeynen van Kennemerlandt heeft te spreecken." De Staten zijn aan de Amstêrdamsche bezwaren tegemoet gekomen: de koopers zouden , een derde Van de koopsom in contanten moeten betalen, in twee half jaarlijksche termijnen, opdat „die van Amsterdam goet contentement van haerluyder Renten,

J) Cf. het slot van art. 13; hiervoor, bl. 279 en nootl. De Amstêrdamsche burgers waren in deze nieuwe overeenkomst niet betrokken. 2j Hiervoor, bl. 251.

8) Res. St. v. Holl. 1583, bl. 173: 2 Juni; bl. 176: 3 Juni; de overeenkomst met de acte van approbatie van Amsterdam: bl. 182—185: 9 Juni. — Res. Vr. No. 4, fol. 268 v» en 269 : 6 Juni.

C. 19

Sluiten