Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTSTE HOOFDSTUK

DE QUESTIE VAN DE KERKELIJKE GOEDEREN

(art. 11 en 12 van het Accoord tot afstand van de Satisfactie)

De kerken en kapellen te Amsterdam bezaten, evenals dergelijke elders, van oudsher eigen kerkf abrieks- en pastoriegoederen, uit wier inkomsten de gebouwen onderhouden, de geestelijken betaald werden. Ze bezaten ook veel en kostbaar kerkzilver. Daarnevens waren op haar vele vicarieën gefundeerd, waarvan de begeving aan leeken stond, dus zoogenaamde vicarieën juris patronatus laïcalis. De eigendommen waren niet geheel vrij: zware lasten drukten op de kerkgebouwen en ook het kerkzilver was soms nog met onafbetaalde schuld bezwaard. -,4$,

Toen door de Alteratie een einde kwam aan de heerschappij der Katholieke Kerk in Amsterdam, moesten ook daar de maatregelen toegepast worden, waartoe de Staten in de laatste jaren (na 1573) besloten hadden, of weldra zouden besluiten. Deze waren:

1. wat het kerkzilver betreft: alle sieradiën, reliquieën, e.d. moesten worden verkocht. De opbrengst zou komen öf ten bate der predikanten öf tot nut van de gemeene zaak J).

2. wat de kerkfabrieksgoederen betreft: nadat hunne inkomsten in Februari 1573 zonder voorbehoud bestemd waren < tot onderhoud der predikanten, waren de Staten geleidelijk van dat plan teruggekomen en mochten de goederen weer

*} Mr. J. F. van Beeck Calkoen: Onderzoek naar den rechtstoestand, etc., bL 75 en 89.

Sluiten