Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minder in dan eene toewijzing van alle vicarieën, op Amstêrdamsche kerken gefundeerd, aan de stad. In 1592 confereerde Baerdesen als oudste Burgemeester1) aan Pieter Gerritsz. de vicarie van het St. Christoffel-altaar in de Nieuwe Kerk „sonder nochtans hier mede eenichsints te willen ofte connen prejudiciëren ofte vercorten t' recht dese voornoemde stadt tot <f voorsz. vicarie competerende vuyt crachte vande affstant vande Satisfactie2), ende andersints." Hij koos juist Pieter Gerritsz. uit de drie bloedverwanten, die alle aanspraak maakten op de vicarie, daar hij dezen het geschikst achtte om „volgende de resolutie vande Heeren Staten van Hollandt" [nml. die van 6 September 1578] „de vruchten der selver in studiën t' employeren". De nieuwe vicaris zou van de inkomsten der vicarie jaarlijks slechts „de twee derdendelen" genieten, „blyvende d' ander derdendeel volgende de resolutie vande voornoemde Heeren Staten van Hollandt tot onderhout vande predicanten t' ontfangen byden geenen die airede daertoe gecommitteert sijn, ofte noch gecommitteert sullen werden..." 3).

In het midden der zeventiende eeuw stond de Amstêrdamsche regeering nog op datzelfde standpunt. Als in 1659 Burgemeester Cornelis de Graeff deze vicarie confereert, wordt hetzelfde voorbehoud van non-prejuditie van het recht uit art. 11 voortvloeiende gemaakt. De administratie der vicarieën blijkt dan te berusten in handen der thesaurieren. Deze zouden de twee derdendeelen aan den possesseur uitbetalen. Uit deze acte bhjkt tevens, dat de nooit gestaakte poging der Staten om de tertiën voor het Geestelijk kantoor in Delft te verkrijgen, tot 1659 in Amsterdam vruchteloos gebleven was: „blijvende 't resterende derde deel, volgens de meergemelte resolutie der Heeren Staten van Hollandt tot onderhoudt vande predicanten, te ontfangen bij de Heeren Tresorieren

x) Krachtens den fundatiebrief trad de oudste Burgemeester na het uitsterven der memoriemeesters als collator op.

2) Ik cursiveer.

3) Bundel als voren: II.

Sluiten