Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Item remissie vande pacht van tschoudtambacht tot den daeghe van dafflossinghe ende furnissement vande 20m gulden daert mede beleent es" 1). De Prins verleende in zijne tweede uitspraak de verzochte kwijtschelding2), zeer tegen den zin van Oldenbarnevelt, die in zijn verweer 's Prinsen vrijgevigheid critiseerde door op te merken: f 300 's jaars zijn „in capitael jegens den penninck twintich waerdich ses duijsent carolus gulden" 3).

Daar de tweede uitspraak door de Staten niet geaccepteerd werd, bleef ook de zaak van het schoutambt, zooals die nu eenmaal was: Amsterdam bleef pacht verschuldigd.

In begin Juni 1581 zou de ambtstijd van Calff, aan wien volgens het octrooi commissie voor drie jaar verleend was, ten einde loopen. Volgens het oud gebruik kon nu óf zijne commissie worden verlengd, óf kon een ander in zijne plaats benoemd worden. Calff wenschte verlenging zijner commissie en wendde zich daarom met een request tot Burgemeesteren en raden, waarin hij „continuatie van zijp offitie" verzocht. De stedehjke regeering nam voorloopig geen besluit: ze wilde eerst afwachten, welk antwoord de Staten zouden geven op een verzoek tot aflossing van de geleende f 20,000 4). Volgens het octrooi was de beleening in 1564 slechts voor zes jaar geschied; de stad had dus al jaren lang het recht gehad haar geld op te vragen. Dat zij daartoe niet eerder was overgegaan, vond wel zijn grond in het feit, dat het aan de Burgemeesters altijd bijzonder aangenaam geweest was in den schout slechts een ondergeschikte te behoeven te zien 5). Ditmaal schijnen echter de financieele nadeelen van de panding en pachting bijzonder zwaar gewogen te hebben: behalve de f20.000 stadsgeld, die nog altijd „te buyten" stonden, betreurde de Amsterdam-

i) Hiervoor, bl. 53.

-) Hiervoor, bl. 53. «?.

*) Hiervoor, bl. 47.

4) Res. Vr. No. 4, fol. 157 en v«: 24 Mei 1581.

5) Te» Gouw VI, bl. 41.

Sluiten