Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f20.000 verzochten. Zonder „verhandelinge ende verdragh" zou de Amstêrdamsche regeering noch van harentwege een schout behoeven te „nomineren" noch dien van Statenwege behoeven te „accepteren" x).

Calff had zich — behalve tot de Amstêrdamsche regeering — ook tot den Prins van Oranje2) gewend met het verzoek om verlenging van zijne dienst als schout. De Prins, die zich toen ook te Amsterdam bevond, wendde zich tot de Staten om advies. Deze verklaarden echter met de verzochte lossing van het schoutambt niets te maken te hebben; de Amstêrdamsche regeering mocht, wat hun betrof, de redemptie verZoeken „van den genen, daer syluyden sullen meenen gerechtigt te wezen." 3). Indien de stedehjke regeering Calff niet in zijn ambt zou willen continueeren, zou Zijne Excellentie „autoritate" daar in moeten voorzien, daar „die van Amsterdam hun het Schout-Ambacht... gantschelijck ontslaen" 4). De Staten vatten de schriftelijke insinuatie dus zóó op, alsof de Amstêrdamsche regeering onvoorwaardelijk afstand gedaan had van haar nominatierecht.

Volgens het advies der Staten heeft de Prins Calff voor zes maanden in zijn ambt gecontinueerd en hem daartoe commissie verstrekt. De Amstêrdamsche regeering — aan welke

!) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 269: 10 Juni nam.

-) Daar de Prins zich toen in het Noorden bevond, oefende hij zelf het recht van commissie uit. Zoo was in het voorjaar bij de schepenen-verkiezing de lijst Van veertien aan hem in Delft toegezonden, inplaats van — zooals in 1578, 1579 en 1580 — aan het Hof van Holland. Rap. v. thes. 1581, fol. 125.

s) 24 Maart 1564 waren de f20.000 door Amsterdam betaald aan 's Konings ontvanger-generaal (Ter Gouw VI, bl. 42). Tot welk college zou Amsterdam zich nu echter voor de lossing moeten wenden? De in 1578 ingestelde Centrale Regeering ging juist in deze weken te niet: Matthias had reeds in Mei 1581 afstand van het gouvernement gedaan en 19 Juni stelden de overgebleven leden van den Raad van State hun mandaat in handen van de Staten-Generaal. Niet vóór Augustus aanvaardde de nieuwe Raad van State het bewind. Cf. J. C. H. de pater: De Raad van State nevens Matthias (1578—1581), 1917 (diss.): Hoofdstuk V: De Ondergang.

4) Res. St. v. Holl. 1581, bL 270:10 Juni nam; de aangehaalde woorden :bl. 272-

Sluiten