Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

committenten te verkrijgen1).

Daar de Staten er geen bezwaar tegen hadden, verleende de Prins 18 Juni aan de Burgemeesters op hun verzoek eene acte van autorisatie, waarbij zij gemachtigd werden „Justitie... te administreren, totdat by de Staten rapport innegebracht (zou) zyn, aengaende de lossinge van den Schout-Ambachte, of de selve door een ander te laten administreren, by de Supplianten en Raden daer toe te nomineren." De onwettig geschiede continuatie van Calff — immers de Staten waren nooit voornemens geweest de f 20.000 terug te betalen en de Amstêrdamsche regeering had nooit onvoorwaardelijk afstand gedaan van haar nominatierecht — werd daarmede ongedaan gemaakt2).

In de Staten-vergadering, van 26 Juni—1 Augustus 1581 in Den Haag gehouden, werd geen besluit in de questie van het schout-ambt genomen, hoewel de Amstêrdamsche" regeering haren gedeputeerden volmacht verleend had om met de Staten „finalick" te accordeeren over de beleening van het schoutambt en de restitutie van de f20.0003). De Staten hadden het waarschijnlijk te druk met de groote questies van den dag: de afzwering van den Koning, de opdracht van de Hooge Overheid aan den Prins, de verandering der eeden.

Gedurende twee maanden werd de taak van den schout — zoo goed en kwaad, als hunne veelvuldige andere bezigde gedeputeerden ook geresolveerd moesten komen in de questie van het schoutambt. Van de questie werd eene korte uiteenzetting gegeven. De slotzin daarvan luidt: „Ende daerop letten dat tvoirnoemde octroy sonder advys vandie vander Camere vander Rekeninge is verleent." Archief Medemblik: Brieven der Staten en Gecommitteerde Raden van Holland en West-Friesland, bundel I, 1578—1584. Ook een exemplaar in 'Gemeentearchief Gouda: Ingekomen Stukken, 1581—1584. De Goudsche Vroedschap achtte — blijkens een extract uit het Vroetschapboeck, dato 27 Juni, in dezelfde portefeuille — „de lande van Hollandt" niet verplicht tot de verzochte redemptie, maar vond, dat „die van Amsterdam" „deselve hare actie moegen intenteren daer ende soe zij te raede vinden zullen."

!) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 272 en 273: 12 Juni.

2) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 281: 14 Juni nam. Res. Vr. No. 4, fol. 166. 8) Res. Vr. No. 4, fol. 161: 29 Juni 1581.

Sluiten