Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oefening voorgekomen waren1). Aan de Burgemeesters kwamen nu echter daden, door Calff als schout bedreven, ter oore, die hem — indien ze waar bleken te zijn — onwaardig zouden maken als hun substituut op te treden2). Eene commissie, benoemd óm licht in deze zaak te ontsteken, kon Calff blijkbaar niet van schuld vrijpleiten: men besloot niet verder met hem te onderhandelen3). Tot aan de benoeming van den nieuwen ambtenaar zou de substituut-schout met een procureur of iemand anders de gevangenen, die reeds „lange in apprehentie hebben gelegen ende nootelick aen expeditie van justitie geholpen moeten wesen," moeten „expediëren".

Daar de Burgemeesters door de Vroedschap gemachtigd werden om zonder haar advies een gesubstitueerden schout aan te stellen in overeenstemming met de usance, „geobserveert naer inhouden vant octroye" in zake de nominatie van een schout4), leeren de Vroedschapsresoluties ons verder niets omtrent deze zaak.

De vacatie van het schoutambt eindigde 18 September 1581 5).

1) Res. Vr. No. 4, fol. 166 en v»: 24 Aug. 1581.

2) Res Vr. No. 4, fol. 170: 29 Aug. 1581.

8) Hoewel de Burgemeesters nog aan de Vroedschap vroegen — „omme den voorsz. Calff nyet te precipiteren," — of het niet raadzaam zou zijn dé zaak met de advocaten te bespreken, en hun advies „opt voorsz. aenseggen" in te winnen, wilde de Vroedschap hiervan niet weten. Res. Vr. No. 4, fol 173 v°: 6 Sept. 1581.

*) Res. Vr. No. 4, fol. 173 v« en 174: 6 Sept, 1581. — De overtredingen, waarvan men Calff betichtte, waren zeker niet van ernstigen aard, daar hem reeds 9 November 1582 commissie verleend werd als procureur-generaal van het Hof van Holland. Algemeen Rijksarchief: Tachtste Memoriaelbouck gehouden bij tijden Meester Bartholt Ernst griffier van Hollandt, fol. 217 v°.— Uit den Rap. v. thes. 1587, fol. 145 v° zou men opmaken, dat de stad Calff een proces aangedaan had voor het Hof van Holland. De thesaurieren verantwoorden daar f 55, die Bartholomeus van der Wiere ontvangen had „over die costen daer inne Willem Martsz. Calff voorden Hove van Hollandt gecondempneert was."

5) Rap. v. thes 1581, fol. 151.

C. 21

Sluiten