Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en voor gevaar van den kant der Engèlschgezinde Bourgondiërs.

Jaren vergingen, de stemmen werden steeds dringender, maar Johanna vond overal moeilijkheden tegen de uitvoering van de haar geworden opdracht. Op een'bedevaart bezocht zij haren oom Ladart en deelde hem haar zending mede. Deze vergezelde haar naar Vaucouleurs tot den hoofdman Baudricourt en verzocht hem de Maagd bij den Koning te brengen. Aanvankelijk wees deze haar spottend en barsch af, maar, door den nood van Frankrijk en het toenemend vertrouwen van het volk in Johanna's goddelijke zending gedwongen, nam hij haar eindelijk aan.

„Een boerenkind, Jeanne d'Arc, dat wij onder de analphabeten' moeten rangschikken, verliet haar vreedzaam dorp Domremy, wist den spottenden bevelhebber van Vaucouleurs voor zich te winnen, verwisselde het vrouwelijk gewaad Voor de mannelijke dracht, werd toegelaten aan het weelderige hof van Karel VII te Ghinon en, na ook een commissie van geestelijken te Poitiers van haar reddende zending overtuigd te hebben, onder dë legerhoofden opgenomen." (*)

Johanna steeg den 23 Februari 1429 te Vaucouleurs te'paard in mannelijke kleeding, opdat de soldaten minder tot zondige gedachten zouden geprikkeld worden, trok met zes begeleiders door het vijandelijk gebied en kwam na een gevaarvollen rit van elf dagen te Fierbois, dat slechts zes uur van Ghinon verwijdert lag, aan. Van hier uit verzocht zij in een brief aan den Dauphin om bij hem te worden toegelaten. Wel maakte het Hof van Karei. VII vele zwarigheden, maar den 8 Maart 1429 verscheen zij voor hem, herkende hein te midden van meer dan 300 ridders, tusschen wie hij zich !in eenvoudige kleeding verscholen had, eji overtuigde hem van de waarachtigheid harer zending.

Oj) last van Karei. VII werden zij en haar zending aan een streng en langdurig onderzoek onderworpen, eerst tg Chinon, dan te Poitiers. Een commissie van vier bisschoppen, vele godgeleerden, doctoren en professoren namen Johanna drie weken lang in verhoor. Men ondervroeg haar over haar verschijningen, waarom zij mannenkleederen droeg, wie haar gezonden had; men trachtte haar te doen ,wankelen in haar geloof aan haar goddelijke zending. Mrfar zij bleef vast en onwrikbaar in haar overtuiging en antwoordde op alle vragen met zulk een duidelijkheid en waardigheid, dat allen verbaasd stonden. Ten slotte verlangde men een wonder van haar tot bevestiging van haar verklaringen. „Ik ben niet naar Poitiers gekomen om teekenen en wonderen te doen, maar gaat' met mij naar Orleans, daar zal ik u het teeken geven, waarvoor ik gekomen ben." Nog werd zij door vrouwen onderzocht en beproefd, maar men.ivond niets'dan goeds in haar.

(') W. J. Derks, Jeanne d'Arc, p. i&

Sluiten