Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20; te Lyon de ridder d'Aulon ; te Rouen 19; in het geheel 144 'met dè 29 getuigenissen van 1450 en 1452. Het geheele proces werd met buitengewone plechtigheid gevoerd. De Koning nam al de kosten voor zijn rekening.

Den 2 Juli 1456 waren de onderzoekingen geëindigd. Op den 7 Juli had de uitspraak plaats op plechtige wijze in het Aartsbisschoppelijk paleis te Rouen in tegenwoordigheid van den inquisiteur-generaal Jean Brehal, van de advokaten der rechtbank, van Johannes, broeder van Jeanne, als vertegenwoordiger der familie. De Aartsbisschop Jean Joüvenel des Ursins, Aartsbisschop van Beims, verklaarde in naam van de drie afgevaardigde prelaten en van den Inquisiteur, dat

„de gevoerde processen en vonnissen, bevlekt met bedrog, laster, onrechtvaardigheid, tegenspraak en duidelijke dwaling zijn geweest feitelijk en rechtens van nul en geener waarde en te niet worden gedaan;"

„dat op gezegde Jeanne en hare bloedverwanten door genoemde vonnissen geen enkele vlek of smet van eerloosheid kan rusten; dat men haar overigens, voor zoover het noodig mocht zijn, geheel daarvan vrijsprak;"

„dat de beruchte twaalf artikelen, lasterlijke en sluwe uittreksels uit het proces, rechterlijk uit het gezegde proces verwijderd en verscheurd zouden worden;"

„dat de afkondiging van dit vonnis zoude plaats hebben dienzelfden dag op het plein van Saint-Ouen en den volgenden dag op de Oude Markt met een plechtige predikatie en het planten van een kruis."

Nooit werd, zoo merkt Lenglet-Dufresnoy hier op, een vonnis van herstel zoo stellig en plechtig uitgesproken. (')

Leo XIII bevestigde den 27 Januari 1894 Jeanne's eerherstel van 1456, toen hij, gevolg gevend aan een verzoekschrift van Mgr. Dupanloüp, Bisschop van Orleans, en van de Bisschoppen van Frankrijk, Jeanne Eerbiedwaardige Dienares van God verklaarde en haar Zaligverklaring inleidde. Het Diocesane proces was door Mgr. Dupanloüp in Mei 1874 begonnen en in December 1875 aan Rome overhandigd. Den 6 Januari 1904 verklaarde Pius X, dat Jeanne d'Arc „in den vereischten heldhaftigen graad de goddelijke deugden, de kardinale deugden en de deugden, die daarmede verbonden zijn, had beoefend." Tegen het einde van 1908 werden drie wonderen, op de voorspraak van Jeanne d'Arc gewrocht, kanoniek door de Heilige Congregatie der Riten goedgekeurd. Den 18 April 1909 sprak Pius X de zaligverklaring uit.

(') Ph. H. Dunand, Jeanne d'Arc in Biet. Apologét. de la Foi Cath. 1243—1246.

Sluiten