Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijke en het met de hoogste orde onvereenigbare) werd in de Middeleeuwen voor mogelijk gehouden."

Anatole France is vooral gaan putten, bij twee meesters; vooreerst bij Voltaire en verder bij Pierre Gauchon. Voltaire heeft slechts een bestek, een schets van het leven van Jeanne d'Arc in zijn Dictionnaire philosophique en in zijn Essai sur les moeurs nagelaten; Anatole France heeft het ontwikkeld. Wat hier ontbrak, heeft hij uit de school van Pierre Gauchon aangevuld. Reeds in het begin van zijn eerste deel houdt hij voor authentiek het verdachte en apocriephe stuk, hetwelk de Maagd schuldig verklaard aan alle trouweloosheden, aan alle verloocheningen, welke de Bisschop van Beauvais aan haar toeschrijft. Vandaar komt hij tot drie fundamenteele dwalingen: 1. Jeanne d'Arc heeft geheel haar leven aan hallucinaties geleden. 2. Jeanne d'Arc is een overspannen en opgedreven heldin. 3. Jeanne d'Arc is kettersch, meineedig, afvallig.

Met Voltaire heeft Anatole France dus van Jeanne een „idiote" gemaakt. In zijn voorwoord zegt hij, dat men in deze heldin moet zien „een altijddurende gehallucineerde, welke haar hallucinaties meestal buiten staat stelden om het ware van het valsche, het goede van het kwade te onderscheiden."

Niet anders schrijft Voltaire. In gewone menschentaal wil dit zeggen: Jeanne is een idiote. „Deze ongelukkige idiote", schreef Voltaire in zijn Dictionnaire philosophique, „heeft moed genoeg gehad zeer groote diensten aan den Koning en het vaderland te bewijzen."

„Met Pierre Gauchon zal Anatole France van de Maagd een verscheidene malen meineedige hervallige maken, ontrouw aan haar bevrijdingszending, aan haar geloof, aan haar patriotisme. Aanvankelijk zegt hij dit wel niet uitdrukkelijk, maar hij stelt toch de beginselen, waaruit deze conclusies volgen, en later zal hij ze met ronde woorden erkennen. Hij maakt van Jeanne een „opgeblazen heldin", als zij ten minste den naam van heldin verdient. (')

De Fransche leeraar A. Thalamas ontaardt in zijn „Jeanne d'A r c, 1'H istoire et la Légende, Paris 1905" in een ware negalieharlstocht Er blijft van Jeanne's persoonlijkheid zoowat niet anders over dan een modern aangekleed geraamte en van haar leven een reeks van ontwrichtte feiten. De schrijver vermeit zich met speculatieve berekeningen, of ook zonder Jeanne's optreden de geschiedenis eenzelfden loop zou hebben genomen. Voor hem is Jeanne niets dan een boersche Socrates in een christelijk rokje. Haar stemmen zijn slechts de uiting van hpf „daemon" in haar.

O Ph. Dunand, La vie de Jeanne d'Arc de M. Anatole France. Paris 1908, 55—57. Anatole France, Vie de Jeanne d'Arc.

Sluiten