Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2*. „Ondervraagd bekent zij vervolgens, dat de Stem twee of driemaal in de week tot haar zeide, dat zij, Johanna, moest vertrekken en naar Frankrijk gaan. Haar vader wist niets van haar vertrek. De Stem herhaalde, dat zij naar Frankrijk zou gaan; zij kon niet langer toeven, waar zij was; de Stem zeide, dat zij het beleg van Orleans zou doen opheffen." (*)

Omtrent de hoofdzaak verandert Johanna nooit: „Zij is door God gezonden."

„Dit punt is boven alles van belang: het bevel, dat haar gegeven is rechtstreeks, zonder tusschenpersoon, hetzij een werkelijke of een andere, plaatst haar buiten allen en zondert haar af buiten en boven de menschheid. Daardoor zal zij zich boven de anderen verheffen en het zal de oorzaak van haar dood worden. Het is wonderbaar, dat zij, van haar eerste optreden af, zoo juist het terrein heeft bepaald, waarop zij zich moet toonen en waarvan zij slechts door den dood kan worden verdreven." (') ■

Dochter Gods, zoo noemde zij zich zelve. „Al wat ik doe, doe ik op bevel van God en zoo Hij mij zeide te handelen, zou

ik het doen, omdat het Zijn bevel is." (*)

„Dit is de intieme en diepe beteekenis van haar roeping. Al het andere is nevenzaak en van minder belang. De uitdrukking, waarvan zij zich het meest bedient, om het bevel aan te duiden dat haar van boven gewordt, is: „mijn raad", of „de stem . Het is opmerkenswaardig, dat van dé engelen en en heiligen, die tot haar gezonden werden, geen enkele maal vóór het proces melding gemaakt wordt. Tot zij door de spitsvoudigheden en de strikvragen van haar rechters over dit geheim wordt gedwongen, had zij gezwegen. Zij is, voor allen, de „afgezant van „God" of „de engel van God, niets anders." (*)

3". Van den eersten dag af, dat Jeanne besloot Domremy te verlaten, tot aan den brandstapel toe, heeft zij altijd en onveranderlijk gezegd, „dat zij door God was gezonden." Aan de raadslieden van den Koning, die haar te gemoet komen, wantrouwend, in het geheel niet gestemd om dat meisje van zeventien jaar te hooren en te gelooven, waar zij schipbreuk geleden hebben, verkondigt zij zonder vrees en met vertrouwen haar zending: „Ik ben van God gekomen en ik heb op last van den Koning der hemelen ^ce zendingen te vervullen: ik moet het beleg van Orleans doen'*öpDreken en ik moet den Dauphin naar Reims voeren, opdat hij er gezalfd en gekroond worde." (5) ;£H;«jdl

H Procés', I. 53.

O G. Hanotaux, Jeanne d'Arc in Revue des Deux-Mondes, 1910, 483. O Procés, I. 74. O G. Hanotaux, l.c, 484. » (') Procés de Jeanne d'Arc, III, 115.

Sluiten