Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Johanna is dus een „gemeene zienster", een „automaat van het tweede bewustzijn." „Zij objectiveerde in heiligen de stemmen van haar geweten." C)

Derde stelling. ., V

Johanna had geen hallucinaties of zinsbegoochelingen.

1". Geestdrijvers, dweepers, droomsters denken anders, spreken anders, doen anders dan Johanna dacht, sprak, deed.

„Johanna is beslist veel helderder: „Ik hoor een stem, die tot mij zegt: „Dochter van God, ga, ga, ga, ik zal uwe hulp zijn, ga!" Niet waar, iedereen kan die taal verstaan. Hysterische menschen gebruiken ze gewoonlijk niet; hun ideeën en hun uitdrukkingen zijn vaag, zonder samenhang, zeer dikwijls tegenstrijdig; die van Johanna zijn duidelijk, verstandig, ordelijk." (2)

Michelet erkent eveneens het gezonde, heldere verstand van Johanna:

„Waarin bestond de eigenaardigheid van de Maagd? Wat deed haar slagen? Niet zoo zeer haar moed of haar visioenen, maar haar gezond verstand." (*)

' Niet aheen zijn naar woorden daarvan doortrokken, maar ook al haar daden.

„Zij is sober, kuisch, terwijl de ongelukkige hysterischen spoedig aan al de bekoringen der zinnen toegeven; zij is steeds opgeruimd, terwijl zij neerslachtig zou zijn van droefgeestigheid of opgewonden door een overdreven vroolijkheid; zij is altijd levendig, beslist en vaardig, zonder te weifelen of te vreezen, maar gematigd en voorzichtig, moedig en bedachtzaam en oefent op de menschen die innemendheid der hoogere karakters uit, het overwicht, het gezag, de meerderheid." (4)

„Al de woorden van Johanna, welke ons overgeleverd zijn, ademen de vurigste godsvrucht en zijn bezield met een buitengewoon gezond oordeel, met een volmaakte rede. Bij haar vindt men niets van een zinsbegoochelde. Zij heèft verschijningen zij hoort stemmen, maar die stemmen spreken een zeer nelderë taal tot haar en geven haar stellige bevelen: zij moet haar land en haar huisgezin verlaten, naar den Dauphin gaan, Orleans ontzetten, den Koning naar Reims brengen en hem daar doen zalven." En deze onderneming, die onmogelijk schijnt, wanneer men in aanmerking neemt, wat dit arme kind is, voert zij met een waarlijk bovenmenschelijke standvastigheid en moed uit." f)

„Hoe kan men dan meenen, dat zij in een ziekelijken toestand verkeert? Is zij ooit ziek geweest? Heeft zij zenuwaandoeningen gehad? Is zij soms zwak van gestel? Neen, haar gezondheid is altijd uitmuntend geweest, zij is schoon en goed gevormd (d'Aulon), zeer evenredig van ledematen en sterk

^C) Thalamas, Lettre a VEveil democratiqüe, 21 Febr. 1909. H J. Guiraud, l.c. I, 396—397. (*) Michelet, Histoire de France, t. IV. 45.'

(*) Hanotaux, Jeanne d'Arc, in Revue des Deux-Mondes, t. LVII, 218 O Goppée, Journal, Mei 1898.

Sluiten