Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Kronyk van de Maagd), groot en zeer. schoon (Mirouer des Femmes vertueuses), zeer sterk en krachtig (Kronyk van Lotharingen), een Kracht, die niets mannelijks had. Zij had een zachte stem, een vrouwelijke stem, zeggen zij, die haar gehoord hebben (Gui de Laval, P. de Boulainvilliers ■ -.. „Het was," zoo besluit Wallon, „een vrome ziel in een sterk en gezond lichaam." (') Wat blijft er dan bij haar over, dat reden geeft om haar van hysterie te beschuldigen, dan alleen het feit, dat zij visioenen gehad heeft en dat men hen als zieken moet behandelen, die ze gehad hebben, wanneer men de werkelijkheid der visioenen niet wil aannemen? Maar wij vragen het, is dat

een welen schappelijk proces?" (")

„Als men Johanna, een persoon zoo rechtschapen, zoo deugdzaam, zoo geheel regelmatig en volmaakt, als een warhoofd, als een ontredderde, als een slachtoffer van physiologische gebreken of hersenkrenkingen wil beschouwen, dan is dit geheel in strijd met het gewone begrip van ziekte en van

gezondheid, dat wij hebben." (*)

„Zou het juist' zijn — en zouden de geschiedschrijvers het eensluidend aannemen — dat de Maagd, zooals de nieuwe geschiedschrijver Anahole France het beweert, voortdurend aan hallucinaties onderhevig is geweest?

JNeen, dit is niet juist en de geschiedschrijvers nemen het volstrekt niet eensluidend aan.

Juist het tegendeel is waar, het gedocumenteerde bewijs bestaat, en het is onlangs geleverd, dat geen kronijkschrijver van de vijftiende eeuw Pij de Maagd niet alleen geen voortdurende verschijnselen van' hallucinatie heeft aangewezen, maar zelfs geen bewezen geval van eigenlijke hallucinatie.

Als Anatole France beweert, dat Jeanne d'Arc voortdurend aan hallucinaties onderhevig was, dan heeft hij vergeten de bescheiden te raadplegen. Evenmin als de geschiedschrijvers vóór hem heeft hij, wat de heldin betreft, geen enkel geval van hallucinatie, dat door bewijzen gestaafd is, aangevoerd...

Maar waar heeft de schijver die zoogenaamde hallucinaties waargenomen?

De schrijver heeft ze waargenomen in de visioenen, de opennanngen' en ue siemmen der „Dochter van God".

Hij heeft als feiten van idiotisme en als verschijnselen van hallucinatie beschouwd, die wonderbare visioenen, waarin tegenwoordige en toekomstige dingen geopenbaard werden, eigen aan Jeanne d'Arc, en welke Jules Quicherat en Henri Martin erkennen als feiten, welke door „buitengewone krachten" voortgebracht zijn.

Deze buitengewone krachten plaatsen de heldin onder het getal der „groote bewerkers van de geschiedenis en maken haar tot „den afgezant van God." (*)

Zij schijnen, zoo voegt J. Quicherat er bij, boven den kring der menschelijke krachten te staan." (5)

O Wallon, Jeanne d'Arc, 81-. 0 J. Guiraud, I. c. I, 397—398. {') Hanotaux, 1. c. 505.

O H. Martin, Hist de France, 1857, VI, 143. O J. Quicherat, Apercus nouveaux, p. 46.

Sluiten