Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare Stemmen gehoord heeft, en dat zij volkomen ter goeder trouw is geweest in hare mededeelingen hierover. In hoeverre hare visioenen wijzen op pathologische afwijkingen en waar een dergelijk „geval" dan verder moet worden ondergebracht, ik herhaal het, het laat mij tot op zekere hoogte koud. De hoofdzaak is voor mij, dat Jeanne in de oogenblikkeh, dat wij haar het meest bewonderen, bewijst te beschikken over een helder doorzicht, een ruime mate van goede logica en een buitengewoon gezond verstand." 0

De visioenen van Johanna zijn overigens niet de eenige bovennatuurlijke feiten in haar leven: er zijn nog andere feiten, die door de kïonijken van dien tijd worden medegedeeld, welke vele getuigen hebben gehad en wier tot in de kleinste bijzonderheden onderzochte authenticiteit niet toelaat ze als legenden te beschouwen. 0 U^tttO

Zevende stelling.

Jeanne wordt voorspeld en voorzegt zelf de toekomst-

1°. Dat zij voorspeld is geworden, bekent noch ontkent Johanna, maar het is haar wel bekend. „Toen zij in Frankrijk kwam, waren er, die haar vroegen, of er, in haar streek, geen bosch was, dat het „eikenbosch" heette, omdat, volgens zekere voorspellingen, uit den omtrek van dit bosch een zekere maagd moest komen, die wonderen zou doen. Maar zij zeide, dat, wat haar betrof, zij er volstrekt geen geloof aan sloeg." (*) „Heeft men niet gezegd," zeide zij tot haar oom Durand Lassoit, „dat Frankrijk door een vrouw in het verderf zou worden gestort en vervolgens door een maagd gered zoude worden?" (*)

Deze voorspellingen kende men niet alleen in • Lotharingen, maar ook bij de Engelschen. Sulfort verhaalt ze aan Dunois f) Er werd over gesproken aan het hof van den koning onder ernstige lieden en geestelijken. (") De rechters en de bijzitters te Rouert beriepen zich. er op en waren reeds blij er tooverij in te vinden. (')

In het proces van herstel wefd er nogal gewicht aan gehecht, natuurlijk in een goeden zin. Het volksgeloof liep er mee weg. Men paste ze toe op Johanna, zoodra zij optrad. „Er is niets tegen ze nu nog op haar toe te passen. (*)

O H. E. Koopmans van Boekeren, Jeanne d'Arc, Amsterdam 1916, p. 190. (?) J. Guiraud, 1. c. 398. • (*) Procés. I. 68.

H Idem II, 247. III, 344. Wh&i

(') Idem III, 15.

(') Idem III, 75, 83.

O Idem III, 153.

O G. Hanotaux( l.c. 486—487.

Sluiten