Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diensten betaalt, en de hoop, van na het proces den aartsbisschoppelijken zetel van Rouen te bekleeden.

Men kent, uit de stukken der rekenkamer, welke bewaard zijn gebleven, de betrekkelijk hooge sommen, welke de doctors van rarijs en de slaafsche bijzitters uit de Engelsche schatkist ontvingen ter erkenning van de bewezen diensten. Wij spreken slechts in het voorbijgaan van de kerkelijke waardigheden, kanunnikaten en beneficies, welke hun verleend werden.

2e. Wat de bijzitters betreft, die, zoo zij vóór alles beoogd hadden volgens geweten te handelen, in staat waren geweest om aan de leiders van het proces moeilijkheden in den weg te leggen, voor hen bediende men zich van de vrees om hen tot machteloosheid te brengen.

Van het eerste oogenblik af werd er te Rouen een waarachtig schrikbewind ingesteld. Men oordeele daarover volgens de getuigenissen van personen, welke het best in staat waren om nauwkeurig op de hoogte te zijn.

.,Van de meesters en de doctors, welke opgeroepen werden," zoo verklaarde Willem Manchon, „zou er geen een het gewaagd hebben niet te verschijnen, en er was er geen een, die vrij van vrees was."

En wat hem zelf aangaat, daarover voegde de eerzame notaris er b*j: „Men dwong mij als notaris aan het proces deel le nemen. Ik deed het legen mijn zin in. Maar ik had niet durven weerstaan aan een bevel van den koninklijken Raad." (')

Meester Johannes Tiphaine, doctor in de geneeskunde, werd opgeroepen om aan de handelingen deel te nemen. Hij verschoonde zich en voerde de specialiteit der studiën, waarmede hij zich bezighield, aan. Een tweede oproeping, welke met een strikt bevel gelijk stond, werd tot hem gericht en hij moest het uitvoeren, f)

Welke vrijheid kon er bestaan onder een schrikbewind?

„Het meerendeel der bijzitters," antwoordden Johannes Massieu en Petrus Migiet, prior van Longueville—Giffard, „vreesden zoozeer, dat zij geen vrijen wil meer hadden."

Johannes Lefevre, bisschop van Demetriade, zeide van zijn taak: „Zij, die aan het proces deel namen, hadden geenszins hun volle vrijheid; want niemand durfde den mond openen uit vrees van genoteerd le worden. Men moest er veel meer aan denken den wil der Engelschen te doen, dan naar de stem der gerechtigheid le luisteren. CD

Talrijke feiten bevestigden deze mededeelingen. (*) Wij bepalen

C) Procés, t. III, 137. O Ibid.

O Procés, t. III, 174.

(4) Dunand, Hist. compléte, chap. XXXV.

Sluiten