Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijgevolg minstens evënzeer tot het gebied der godgeleerdheid ais tot dat der geschiedenis. De roeping van Johanna voor de bevrijding van Frankrijk, zooals haar die door haar Stemmen geopenbaard was, had, volgens onze meening, geenszins de zalving van den Koning tot eindterm. Maar verder dan dit centrale punt, voorbij dit hoogtepunt van haar roem, was het welslagen van haar werkzaamheid voor haar niet verzekerd, gelijk het tot dan toe geweest was door den bovennatuurlijken bijstand,- die haar geholpen had om te overwinnen, niet alleen den vijand, maar de verflauwingen en zwakheden van het nationale goevernement. Had men haar willen gelooven, dan zou zij zelf spoedig en waardig het begonnen werk voltooid hebbe». Maar dat vereischte vertrouwen vond geen ingang bij den Koning en zijn ministers; zij kwamen terug, tegen Johanna in, op het politieke en militaire stelsel van de omzichtige operaties en diplomatieke onderhandelingen en ontleenden juist aan den triomf der bevrijdster slechts beweegredenen om de uitvoering van "haar plan tegen te houden, om hun oude en voorzichtige taktiek in de plaats van haar nieuwe en koene strategie te stellen. De goddelijke ingeving verliet haar volstrekt niet, maar verlichtte voortaan niet meer op zulk een heldere ' wijze den zekeren weg ter victorie, en begon haar aan het uiteinde van dezen weg, dien zij niet kon en niet mocht verlaten, schemerend een peisoonlijke katastroph te doen zien, welke voor haar gevolgd werd — de Stemmen zeiden niet hoe — door een bevrijding, die haar tot haar waren term, tot het geluk zonder einde bracht. Laten wij aan de bevoegdheid der godgeleerden de zorg over om ons deze fijnheden van de genade beter te verklaren, deze barmhartige omwegen van het hemelsche labyrint, deze schoone en teedere betrekkingen tusschen de natuurlijke orde en de bovennatuurlijke. Onze waanwijzen en schijnweters zullen misschien glimlachen. Maar de waarachtige geschiedschrijver en de ware wijsgeer gevoelen en weten, dat zij het recht hebben over hen te glimlachen. De wetenschap is niet, wat zij ook zeggen, aan hun zijde." (*)

„In één woord: de zending van J ohanna had tot teeken de bevrijding van Orleans, tot doel de verdrijving der Engelschen. Zij heeft haar teeken gegeven, zij hééft haar doel niet bereikt, ten minste niet, zooals zij het had willen doen en zooals zij het ongetwijfeld gedaan zou hebben, zoo het Hof niet geweigerd had haar verder te volgen Haar zending is niet mislukt

De rol van Johanna was dus te Reims volstrekt niet geëin digd en, zoo het welslagen niet meer aan haar pogingen beantwoordt, is dit geenszins, omdat de genade van haar zending haar ontbreekt, f)

Hier rijst een moeilijkheid Hoe moet volgens dit gevoelen verklaard worden, dat Johanna na de kroning te Reims in haar verdere ondernemingen niet geslaagd is? Men zou zoo zeggen, dat zij, als zij niet geslaagd is na de kroning te Reims en de Engelsschen niet

(') Marius Sepet, La Bienheureuse Jeanne d'Arc, son vrai caractère. Paris 1909, 22—24.

• (') Wallon, Vie de Jeanne d'Arc, Paris 1877, 389, 156.

Sluiten