Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zijn aan het einde van ons betoog gekomen. Het hier behandelde vraagstuk is het gewichtigste en moeilijkste in het o-ansche leven der Maagd. De tegenstanders hebben van hun standpunt terecht hier ingezet. Want is de Maagd door haar Stemmen omtrent de haar gedane opdracht misleid geworden, zijn'haar dingen voorspeld,. welke nooit vervuld werden, dan kan er van een goddelijke inwerking geen sprake zijn. Blijkt het echler, dat deze oogenschijrtlijk bewezen steunpunten voor de nieuwere verklaringen volstrekt onhoudbaar zijn, dan blijft ons slechts de keus, of wel een volkomen onoplosbaar raadsel, of wel een buitengewoon ingrijpen der Goddelijke Voorzienigheid aan te nemen." C)

„Men moet wel onderscheiden tusschen hetgeen de „Stemmen" aan Johanna mededeelden, en datgene, wat Johanna, betzij schertsend, hetzij om anderen moed in te storten, of hetzij omdat zij het zelf zoo opvatte en trachtte te bereiken, aankondigde." (*) Ipiïfll

Welke was de zending der Maagd en waar eindigde zij? Jean Bréhal, Grëot-Inquisiteur, antwoordt woordelijk: „Ondanks den bewonderenswaardigen eenvoud van Johanna voerde zij krachtdadig en spoedig uit, wat haar door goddelijk bevel geboden en opgedragen was, zooals duidelijk blijkt uit de opheffing van het beleg van Orleans en uit de welgeslaagde en verblijdende kroning van onzen Heer en Koning te Reims, in welke twee punten vooral naar mijn meening' de doeleinden van haar zending bestonden, daar om deze twee punten inzonderheid al haar antwoorden zich bewegen, wanneer zij omtrent haar wondervolle komst ondervraagd wordt; en deze twee punten zijn door haar zeer spoedig en volledig ten uitvoer gebracht. Wat zij echter later nog meer gedaan heeft, zou ik als een toegift beschouwen, zoo de Maagd niet ook later den bijstand harer Stemmen gehad had." (')

De beide hoofdpunten der zending zijn dus volgens Bréhal de bevrijding van Orleans en de kroning .van den koning te Reims. Maar hoe moet men het verdere optreden der Maagd verklaren? „Wat zij echter later nog meer gedaan heeft, zou ik als een toegift beschouwen, zoo de Maagd niet ook later den bijstand harer stemmen gehad had." Zboals uit de tegenstelling blijkt, beschouwt Bréhal de verdere daden van Johanna als een toegift. Men kan hier vragen, of de reden van den godgeleerde voor de ontkenning van deze toegift steekhoudend is. Wij gelooven van niet. Want daaruit, dat de beschermheiligen der Maagd ook nog na de kroning te Reims bij de Maagd bleven, volgt nog niet, dat de zending der Maagd verder ging; de beschermheiligen bleven immers ook in de gevan-

C) Stimmen aus Maria-Laach, 1889, p. 37. (a) Stimmen aus Maria-Laach, 1889, I, p. 226—227. (*) P. Lanéry d'Arc, Mémoires et Consultations en faveur de Jeanne d'Arc, Paris 1889, p. 455. — Jean Bréhal, Recollectio.

Sluiten