Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ven bij vonnis van het gerecht en dat zij verbrand zoude worden." „ ., ,' ,„

Naar waarde geschat, zijn deze feiten voldoende om de Kerk van alle verantwoordelijkheid in het proces van Jeanne d'Arc te ontlasten en om de geheele verantwoordelijkheid op het Engelsche goevernemenl te doen drukken." (*) Men wijst op verschillende fouten en gebreken in Jeanne d'Arc. Natuurlijk ook de advokaat van den duivel heeft dit bij haar zaligspreking gedaan.

1'. Jeanne werd wel eens toornig; zij toonde haar goeden luim wel, eens al le luidruchtig; zij legde te- weinig eerbied voor haar rechters van Rouen aan den dag.

Is dat nu alles? Valt zelfs de rechtvaardige niet zevenmaal per dag? Zijn dan de heiligen zonder onvolmaaktheden of zonden? Leert dit het Geloof niet?

2*. Maar de pijn der wonde perste haar de tranen uit de oogen. En het vooruitzicht van een smadelijken dood bracht haar natuur in opstand.

Is dit niet heel natuurlijk? Was zelfs de Zaligmaker niet bedroefd tot den dood in den hof van Gethsemane? Bad Hij niet, dat de kelk des lijdens van Hem zoude worden weggenomen? Werd Hij niet door angst en vrees aangegrepen? Genade en deugd vernietigen toch niet billijke natuurlijke gevoelens? Of worden deze door de genade en de heiligheid verondersteld en volmaakt?

3°. En Jeanne's ontvluchting te Beaurevoirl Heeft zij haar leven daar niet roekeloos in gevaar gesteldl

Jeanne had te Beaurevoir vernomen, dat die inwoners van Gompiègne uitgemoord zouden worden, bijaldien de vesting zich overgeven moest. Niet minder was het haar bekend, dat er over haar uitlevering aan de Engelschen onderhandeld werd; zij verwachtte daarvan weinig goeds, zoowel voor haar lichaam als voor haar ziel. In dien angst en die radelooze opwinding besloot zij het uiterste te beproeven om zich en de inwonérs van Gompiègne te redden. Zij was zoozeer onder den indruk van hetgeen er zou gebeuren, dat zij zich zelve geen meester was en schier radeloos werd. „Je ne pus m'en tenir," zeide zij, toen zij haar poging óm te ontvluchten verklaarde.

De Stemmen hadden het haar wel is waar verboden, maar zij was door dé ongewone belemmering der vrijheid en door den schrik voor de toekomst zoo in het nauw gebracht en overprikkeld, dat zij van den zestig voet hoogen toren wilde afdalen, hetzij langs een touw, hetzij langs aaneengeknoppte beddelakens, of zoo maar langs den toren, die door zijn eigenaardigen bouw daartoe gele-

O Ph. II. Dunand, Jeanne d'Arc et l'Eglise, Paris 1908. IX—XII.

Sluiten