Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men, om dit licht te ontvluchten, verdwaalt in een betreurenswaardigen mist, in tastbare tegenstrijdigheden en onzinnigheden." (')

Een opmerkelijke trek van Jeanne's loopbaan bestaat hierin, dat zij, zelfs in bet glorietijdperk van haar zending, minder moeite had om het Engelsche leger te overwinnen dan het verzet der raadslieden van Karei VII en de aarzelingen van dezen vorst. Zij moest hen als het ware dwingen om door te zetten.

De kroning van den Dauphin te Reims was het toppunt van haar aardsche glorie. De Franschen beschouwden, haar als een engel, uit den hemel neergedaald, en begonnen haar reeds hij haar leven te vereeren. De Engelschen behandelden haar als een handlanger van den duivel en schreeuwden van niets dan van tooverij. De Engelsch- en Bourgondisch-gezinde geestelijken aan de Universiteit van Parijs, vastgeketend aan den vreemden indringer, in hun hoogmoed vernederd, gekwetst iri hun vooroordeelen, begonnen reeds de feiten en geruchten over de Maagd in een verkeerden zin uit te leggen en in hun nijdige en afgunstige verbeelding de eerste draden van bet afgrijselijk proces te weven, dat Jeanne over den brandstapel naar het hemelsch koninkrijk zoude voeren;

De afdaling der heldhaftige maagd van het toppunt van glorie, waarop haar de kroning te Reims had geplaatst, naar den steeds toenemenden doodstrijd, van haar werk op aarde is een schoon, maar droevig schouwspel. Na den jammerlijken terugtocht van het Fransche leger naar de Loire trachtte de koning, slaaf "zijner ministers, de werkeloosheid van Jeanne te koopendoor haar met voorkomendheden en eerbewijzen te overladen. Zij treurde over deze rust. Haar patriotisme was verontwaardigd. Zij is altijd de Maagd met hét groote hart, met den levendigen geest, met het gezonde verstand. De raadslieden van Karei VII willen in haar niets anders zien dan een werktuig van haar middelmatigheid en. kleingéestigheid. Zij willén haar van boven verlichte vaart en geestdrift ketenen aan hun snoode politiek, haar prestige onder hun juk buigen en haar wil naar hun willekeur richten. In den grond van de zaak is zij een last, een hindernis voor hen en zij zouden zich liever van haar ontdoen. Na haar gevangenneming zeiden zij spottend: „Zij wilde onzen raad niet gelooven, maar deed alles naar haar zin." De koning was een zedelijke gevangene van la'Trémoille, zijn gunsteling en zijn geldschieter, en verstrikte zich meer en meer in de banden, waarin die slechte dienaar, nu zijn meester gewordeh, hem gekluisterd hield. Misschien had hij deernis met het lot van Jeanne en deed hij zwakke pogingen om haar te hulp te komen, iets dat evenwel minder gemakkelijk was dan men op het eerste gezicht zoude denken. Vrij zeker schijnt evenwel te zijn, dat

H M. Sepet, l.c. p. 20—21.

Sluiten