Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O GIJ, ONEINDIGE BRON-AER.

O Gij, oneindige Bron-aêr van de stroomen des Levens, op Uw zuiver klare bergen en wij in 't dal van tranen, niet'ge dwergen, uit aardsche slijk in zonden voortgekomen. Wij leven, maar ons leven is slechts sterven; Gij zijt het Leven, 't eenigst dat beklijven zal.... wij zijn niets dan zonden en waar blijven wij, als we U, Levensbronne, moeten derven!

Hier sta 'k dan voor U met eerbiedig schroomen, o hoogste Schoonheid, vlekkelooz' Heilige. Waar zal Tc mijn duister voor Uw blik beveil'gen! 1c Vertoon me in naaktheid voor U, als in droomen

ik rondga soms vol schaamte O god'lijk Leven,

Tc ontvloeide U ook; 'k ben de Uwe en Gij de mijne! Ach stort me Uw leven in, die stervend kwijne, wil uit genade en deugd een kleed mij weven.

Sluiten