Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staande dat alles kunnen wij aao deze afwijkende diergroep nog altijd niet met zekerheid de haar toekomende plaats in het Systeem aanwijzen. Dit gaat zelfs zoover, dat de grondvorm, de Typus, waarin zij moet worden opgenomen, niet vaststaat. Geen afdeeling heeft zóó rondgezworven als die der Mosbeertjes; over geen afdeeling zijn de meeningen zóó verdeeld.

Aanvankelijk werden zij onder de Acari gerangschikt; Niemand minder dan de groote O. F. Muller heeft dit reeds in 1785 gedaan, 'waar hij aan het door hem waargenomen diertje de diagnose geeft: „Acarus ursellus, corpore rugoso, pédicis conicis". En deze oorspronkelijke meening heeft tot op den huidigen dag aanhangers gevonden. Murray o. a. beschouwt het ontdekken van een ingekapselden toestand als een nieuw bewijs voor de verwantschap: „The recently discovered encystment of Tardigrada offers a close parallel to the process ... in some of the mites . . . , and strengthens the belief in the affinity of the Tardigrada with the Acari".

Maar daarnaast heeft het niet aan andere opvattingen ontbroken van den meest verschillenden aard. Enkele dezer uitspraken zij het mij geoorloofd weer te geven, om den lezer den indruk bij te brengen van de hevige wisseling der meeningen, van de vage onzekerheid der argumenten en van de groote moeielijkheid om dezen systematischen „rebus" op te lossen.

Dütrochet (1812) in de eerste plaats heeft slechts 6 in plaats van 8 pootjes waargenomen, omdat bij het laatste pootpaar voor een gevorkt staartaanhangsel hield: „La queue offre deux appendices bifurqués". Daarom plaatst hij het dier natuurlijk onder de insekten-. „Les tardigrades que j'ai trouvés, ont tous les caractères de véritables insectes. Ils ont six pattes, composées chacune de trois articulations, et terminées par deux crochets". Nitsch echter (1820) meent, dat de Arctiscon tardigradum door v. Paula Schranck in 1804 beschreven, een jonge Cyclops moet geweest zijn, en gelooft, dat al deze dieren onder de Crustacea thuis behooren. Doch de Blainville (1826), die het laatste paar pootjes weder niet gevonden heeft, denkelijk omdat het onder het lichaam verborgen was, en die de beweging der beide stiletten voor die van kaken (maudibules) aanzag, ontkent de schaaldiernatuur en komt tot de slotsom: „C'est, bien évidemment, une larve de Coléoptère". Na hem volgt C. A. S. Schültze, die in 1834 eene latijnsche verhandeling in het licht gaf, waarin belangrijke ontdekkingen over den inwendigen bouw te vinden zijn. Hij geeft het door hem Macrobiotus genoemde dier eene plaats onder de isopode Crustaceen. Zijn beroemde tijdgenoot Ehrenberg valt hem hierin bij, nadat hij eveneens een dergelijk diertje had waargenomen. In een brief van den laatsten aan Otto (1834), wordt eerst verteld, dat hij dit schepseltje met den naam van Trionychicum ursinum heeft aangeduid, omdat het drie klauwtjes aan eiken poot bezit, en op een beertje gelijkt. Daarna deelt hij zijne waarnemingen mede over het eierleggen, en knoopt eindelijk eenige systematische beschouwingen er aan vast: . „Das sonderbarste ist, dass es seine grossen Eyer in seine eigene Haut legt, die es dabei abstreift, sodass es einen einfachen, dicken Eyersack hinter sich herzieht (dem eines Cylops ahnlich), an welchem man ebenfalls 4 bis 6 oder 8 Füsse abgestreift mit den Krallen wieder erkennt. Die Jungen kriechen im Eyersack selbst aus und haben ebenfalls 8 Füsse, sind überhaupt den Alten ganz ahnlich. Die nachste Verwandtschaft hat dieses sonderbare, frey im Schlamme lebende Thier mit den Lernaen, in deren Nahe es wohl zu stellen seyn mag bis sich deutliche Zwischenglieder seiner wahren Gruppe gezeigt haben werden".

Prof. Pertt in Bern sluit zich hierbij aan. In hetzelfde jaar (1834), in hetzelfde tijdschrift (Isis) betoogt hij, dat men niet met een enkele, doch met meerdere soorten te doen heeft, hetgeen in dien tijd wel eens noodig was om vast te stellen. En op zijn beurt de familierelaties besprekende, eindigt hij aldus: „Was nun die verwandtschaftlichen Verhaltnisse des Arctiscon und seine Stellung im zoologischen System betrifft, so zeigt es sich als eine höchst isolierte, aller nahern Berührungen mit andern ermangelnden Form von ganz eigenthümlichem Verhalten. Allerdings gehort es zu der Classe der Crustaceen, obwohl nur in jener weiten Ausdehnung, welche dieselbe durch die Aufnahme der Lernaen und Pennellinen erhalten hat." Hij vereenigt al deze dieren in eene familie, die der Xenomorphidae, en sluit met eenige opmerkingen van meer algemeenen aard: „Alle solche Mittel-

Sluiten