Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

formen, wie Arctiscon, sind ausserordentlich lehrreich, weil sich in ihnen mehrere Typen vereinigt finden, wahrend noch eigenthümliche Momente hinsutreten. Die Natur befindet sich aber gerade bey Hervorbringung soldier Gestalten — man möchte sagen — in einem gezwungenen Zustande; sie producierte sie daher nur in geringer Mannigfaltigkeit, um bald wieder zu einem reinen entschiedenen Typus überzugehen, in welcher sich die schaffende Kraft mit grösserer Harmonie und Freiheit bewegen konnte," enz.

Van de Crustacea verhuisden de Tardigraden reeds vier jaren later naar de Vermes. De Botatoria toch waren tot dusverre steeds onder de Infusoria gerangschikt, maar het was Düjardin, die na uitvoerige studie van hun inwendig samenstel tot inzicht kwam, dat zij van veel hoogere orde moesten zijn. En toen hij omstreeks denzelfden tijd (1837) voor de eerste maal Tardigraden onder het mikroskoop kon onderzoeken, trof' hem de overeenkomst tusschen hen en de Raderdiertjes. Beide bezitten een enkelvoudig darmkanaal, een kauwapparaat, dat uit kleine hoornige stukken bestaat, te vergelijken met de mondbewapening, die men bij sommige Anneliden aantreft, maar volstrekt niet op een lijn te stellen met de om den mond gerangschikte staafjes in den vorm eener fuik, zooals vele Tnfusoriën bezitten. Wijders kunnen zij zich beide sterk samentrekken binnen hunne harde huidbekleeding, en vermenigvuldigen zich door weinige groote eieren, nooit door deeling of door knopvorming, gelijk de Infusiediertjes. Voeg daarbij ten slotte de eigenaardigheid, om zelfs na geheele uitdroging niet te sterven, en het vermogen om daarna bij bevochtiging weer op te leven. Aldus kunnen wij gemakkelijk begrijpen, dat Düjardin de Rotatoria van de Infusoria verwijderde en ze met de Tardigrada tot de Klasse der Systolides vereenigde. Hierin werd hij door Doyère gevolgd, die zijn best deed deze opvatting nog te versterken.

Ruim een dozijn jaren later (1851) valt het onderzoek van den student Kaufmann uit Zürich, over de eerste ontwikkeling der Tardigraden. Hij nam onder gunstige omstandigheden het eierleggen en de klievingsverschijnselen waar, en zag hoe van een metamorphose geen sprake kan zijn, waar het jong reeds geheel de gedaante van het volwassen dier bezit. In zijn systematische beschouwingen geeft de schrijver de redenen, waarom zij geen verwantschap met de Rotatorien hebben kunnen. Daarentegen meent hij, dat zij onder de Spinachtigen thuis behooren, en betoogt dat zij den overgang vormen van de Annulata onder cle Vermes tot de Pycnogoniden en de Acariden. Gedeeltelijk wordt dit denkbeeld overgenomen door Gegenbaür, die hen samen met de Pycnogoniden als Pseudarachnae onder de Arachniden wenscht geplaatst te zien. Haeckel echter zet hen weer veel dichter bij de Anneliden, terwijl volgens Plate (1889) deze diergroep behoort tot de allereenvoudigste gelede dieren, nog vóór de Onychophoren: „Die Bartierchen sind die niedrigsten von allen bis jetzt bekannten luftathmenden Arthropoden und sind an die Spitze der Tracheaten, noch vor den Onychophoren, zu setzen."

Het is als of zijn, ook voor cle anatomie zoo vruchtbaar [onderzoek, anderen geprikkeld heeft, althans vanaf dezen tijd ondervinden de Tardigraden de belangstelling, clie zij zoo lang hebben moeten missen. Een reeks van schoone onderzoekingen is tot op heden verschenen en heeft ons met merkwaardige nieuwe vormen bekend gemaakt, die ook op de systematische beschouwingen invloed oefenen. In 1891 opent v. Kennel ons een geheel nieuw gezichtspunt. Volgens hem zijn deze dieren Tracheatenlarveu, die buitengewoon veranderd zijn en geslachtsrijp worden. „Arthropoden auf dem Larvenstadium, ohne Kopf, mit einem in der Segmentzahl reducirten Rumpf, der einige (secundare) Fussstummel tragt". Reeds spoedig daarna (1895) volgt' v. Erlanger, wien het gelukt is een buitengewoon groot aantal dezer diertjes („Tausende") onder gunstige omstandigheden waar te nemen, en die ons met de ontwikkelingsgeschiedenis beter bekend maakt. Zijn slotsom is, dat de Tardigraden „einen Platz am Grunde des Arthropodenstammes" moeten innemen.

In het laatst vervlogen decennium is de kennis der anatomie weer een stap verder gebracht. Aan Basse (1906) gelukt het namelijk de diertjes in te smelten en daarna te snijden. Hij eindigt zijne beschouwingen aldus: „Auch ich möchte mich nach meinen eignen Wahrnehmungen in ahnlicher Weise aussprechen und die Tardigraden als Formen ansehen, clie an die unterste Wurzel des Arthropodenstammes zu stellen sind."

Sluiten