Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het uiteinde der pooten wijzen op overeenkomstig gevormde lichaamsdeelen der Arthropoden. Maar de tien jaar geleden ontdekte Batillipes mirus Bichters, die 20 M. diep, in het zeeslik leeft, bezit geheel anders gewapende pootjes. Vijf chitineuse staafjes, die aan het uiteinde tot een vierkant plaatje verbreed zijn bevinden zich op de plaats waar bij andere soorten de haakvormige klauwtjes bevestigd zijn, Richters heeft deze zonderlinge klauwtjes (Textfis. A) opgevat als vervormde annelidenborstels, want het is bekend, dat onder de

Polychaeten eveneens dergelijke borstels met verbreed uiteinde voorkomen. Voor deze onderstelling valt inderdaad iets te zeggen, te meer waar het aantal klauwtjes onder de Tardigraden zoo uiteenloopt, ja aan de pootjes van hetzelfde individu niet steeds gelijk is. Ook valt het [niet te ontkennen, dat het uiterlijk van Annelidenlarven (Nectochaeta-Xmvzn b. v.) aan dat van Tardigraden herinnert.

In de tweede plaats moeten wij onze aandacht eenige oogenblikken bij het spierstelsel dezer dieren bepalen. Eeeds Doyère gaf een goed overzicht van het geheel, maar Plate en vooral Basse en Lance schilderen ons meerdere bijzonderi- j. i._ i t^nTol tmnfrnal nis dorsaal loonfvn twee diV-

iibubu met giuum iictu vv «uugu,-. * Klauwtje van

kere bundels in de lengte evenwijdig, die zich op vier achtereenvolgende plaatsen Batutipes aan de chitinebekleeding vasthechten, geheel volgens den segmentalen bouw, waarop (dJS«r.) ook het zenuwstelsel en de extremiteiten wijzen. Een huidspierlaag als bij Wormen zoeken wij te vergeefs. Maar op regelmatige, metamere wTijze loopen de enkelvoudige dorsiventrale spiervezels samen met andere, die de pootjes doen bewegen. Terwijl het laatste

pootpaar slechts spiervezels ontvangt, cue naast ae Klauwtjes ingeplant zijn, valt bij de voorste drie pootparen, naar Basse vond, een verschil op te merken. Nevenstaande teekening (Fig. B) moge dit duidelijk maken. In plaats van terstond tot aan de klauwtjes door te loopen hechten zich de achterste spiervezels M halverwege den poot aan het chitine vast en vormen hier een gewricht G. Van datzelfde punt zet dan een dikke spiervezel haar weg voort tot naast het pootkliertje EB. Samentrekking er van doet de klauwtjes bewegen. Deze inrichting, waardoor buiging der pootstompjes eenigszins mogelijk wordt, kan moeilijk anders worden opgevat dan als een zeer eenvoudig gewricht, zooals men bij Vermes nimmer aantreft. Het is dus niet geheel juist als men aan de Tardigraden parapodiën, als bij de Wormen, toekent; een allereerst begin van geledingen is aanwezig.

Zenuwen en zintuigen vragen thans een bespreking. Hier treft ons de segmentale bouw onmiddellijk. Een slokdarmring, die de hersenen met het

daaronder liggende onderslokdarmganglion verbindt. Daarachter een reeks van vier paar buikgangliën, door longitudinale zenuwen verbonden. Van zintuigen moeten vermeld worden de beide oogen, die sommige soorten (lang niet alle) bezitten. Von Erlanger is, geloof ik. de eenigste, die een lens heeft waargenomen; anderen beschrijven oogvlekken van veel eenvoudiger bouw. Belangrijk komt mij voor het vinden van een verbinding tusschen de hersenen en de voelerstompjes, die naast of boven den mond zijn waargenomen. Dat wij hier met eenvoudige zintuigen te doen hebben schijnt wel zeker. Maar het gaat niet aan hen te vergelijken met sprieten of antennen van Chaetopoden of Arthropoden, omdat immers daar een kop met meerdere segmenten bestaat, en van zulk een gesegmenteerde kop bij Tardigraden geen sporen zijn aan te toonen. Veeleer is er grond om de symmetrisch geplaatste cirren, die men bij marine geslachten (Batillipes, HalecMnus) aan den kop vindt en die zonder twijfel ook als tast- of reukorganen dienst doen, met deze zintuigstompjes in nader verband te brengen.

De spijsverteringswerktuigen der Tardigraden bestaan, na de nauwe mondopening, uit een sterk gespierden pharynx, een engen slokdarm, die zich tot een langwerpigen, zakvormigen middendarm verwijdt en een korten einddarm. Twee groote speekselklieren, drie met den middendarm verbonden kliertjes, maar vooral twee langwerpige, buisvormige organen, die aan weerszijden, bij den overgang in den endeldarm, uitmonden, werden door alle onderzoekers beschreven. Het zijn de laatstgenoemde uitscheidingswerktuigen, die steeds met Malpighische

Sluiten