Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het broeden van de Geoorde Fuut (Podiceps nigricollis Brelim) op de Ankeveensche plassen in Mei 1918

DOOR

P. L. STEENHUIZEN,

Praeparateur aan het Kon. Zoologisch Genootschap „Natura Artis Magistra".

(Met één Tekstfiguur). ,

In mijn vijfentwintigjarige loopbaan als praeparateur aan het Genootschap „Natura Artis Magistra" waren mij een paar malen exemplaren van de Geoorde Fuut (Podiceps nigricollis Brehm) in handen gekomen, waarvan zelfs één met broedvlek. Dit fraai gevederde, eigenaardige duikertje met zijn zilverwitte borst, zwarte kop, hals en rug, roestroode flanken, zijn rudimentaire staartpennen en oogjes met vermiljoenroode iris, vooral kenbaar aan de verlengde goudgeelachtige vederen bij de oorstreek, waaraan het zijn naam ontleent, en wiens broedgebied zich vrijwel over geheel Europa uitstrekt, zou dus waarschijnlijk, zij het dan ook bij hooge uitzondering, als broed vogel onze veenplassen bewonen.

Enkele malen werd het broeden dezer soort in Nederland vermeld, echter zonder dat hiervan voldoende bewijs geleverd werd, zoodat hieraan geen wetenschappelijke waarde gehecht kan worden.

Op mijn vroegere photographische tochten, welke zich over verscheidene jaren uitstrekten en waarin ik voornamelijk de Provinciën Noord- en Zuid-Holland met hare eilanden bezocht, is het mij nooit mogen gelukken ook maar een spoor van het voorkomen van deze Futensoort als broedvogel te ontdekken.

Ook onze bekende vogelphotograaf, de Heer Burdet, wiens photographische excursies zich over geheel Nederland uitstrekten, is ondanks ijverige nasporingen dit geluk niet deelachtig mogen worden, zoodat het photographeeren van dezen interessanten gevederden moerasbewoner bij zijn nest ons beider vrome wensch gebleven is.

Hoezeer werd ik verrast, toen mijn zoon op één zijner tochten naar de plassen van Ankeveen op 5 Mei 1918 toevalligerwijze met zijn roeiboot terecht kwam in een kolonie van een twaalftal op 't water drijvende nesten, gedeeltelijk bezet met eieren, gedeeltelijk in aanbouw, en in welker bouw hij dadelijk het karakter der Futennesten herkende, zonder echter de soort te kunnen ■ vaststellen, hoewel de geringere grootte der nesten en het feit, dat hier vele op een beperkte oppervlakte bij elkaar gebouwd waren, uitsloot, dat men hier met nesten van de gewone Fuut (Podiceps cristatus Linn.) te doen zou hebben, hoewel deze laatste soort op de Ankeveensche plassen veelvuldig voorkomt.

Deze nesten toch waren, voor zoover ze met eieren bezet waren, evenals bij de gewone Fuut bij 't naderen van de boot, door de vogels zorgvuldig met eenig plantenmateriaal overdekt, zoodat een leek in die drijvende hoopjes halfvergane planten wel geen vogelnesten, en clan nog wel met eieren bezet, herkend zou hebben. Ook was hier evenals bij nesten der

14

Sluiten