Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over Vogelgeluiden

DOOB

Jag. P. THYSSE.

Tusschen vogelgezang en vogelroep is geen scherp onderscheid te maken. Evenmin gaat het aan, om de geluiden, voortgebracht door leden van de orde der zangvogels te scheiden van die der andere soorten. Dit is niet alleen een kwestie van smaak. Er zijn steltloopers, wier geluiden in schoonheid en verscheidenheid de vergelijking met menigen zangvogel gerust kunnen doorstaan. Men denke slechts aan de wulp, de tureluur, den boschruiter en den oeverlooper. Zelfs het waterhoentje en de wijfjesbergeend roepen op sommige oogenblikken cle herinnering aan den nachtegaal wakker. Wanneer we dieper wenschen te gaan en de vogelgeluiden bestudeeren naar hun ontstaan en beteekenis, clan dienen ook beschouwd te worden de geluiden der overige dieren, zoowel gewervelde als ongewervelde. Tusschen het roepen van onze groene specht en het brieschen van een paard bestaat meer verband, dan alleen de oppervlakkige gelijkenis. Ook is het aantal zingende zoogdieren grooter dan men gewoonlijk meent; de serenades en nocturnes van ratten en muizen verdienen meer belangstelling, dan zij tot nu toe genoten.

Intusschen is de studie van de vogelgeluiden het aantrekkelijkst en ook het gemakkelijkst, ofschoon de bezwaren eraan verbonden van dien aard zijn, dat we voorloopig nog niet kunnen verwachten, op eenigerlei wijze te geraken tot een samenvatting of een systeem. De geheele terminologie ligt nog in windselen en een vaste documenteering lijkt nog niet goed uitvoerbaar. De groote moeilijkheid ligt hierin, dat de vogelgeluiden maar al te dikwijls afwijken van onze gearticuleerde taal en van het vrij beperkt systeem van tonen en rhytmen, dat ten grondslag ligt aan onze muzikale genietingen, onze muzikale ontwikkeling. Zoolang clan ook de auteurs de vogelgeluiden waardeerden in termen van mensehelijke taal en muziek, konden zij er geen recht aan doen wedervaren en zoo verheffen de beschrijvingen van Gilbert White, van jSTaumann en anderen zich dan ook weinig of niet boven de enkele klanknabootsende frasen, die de volksmond omtrent sommige vogels in omloop heeft gebracht.

Natuurlijk lag het voor cle hand, om te trachten het vogellied vast te leggen in notenschrift. Deze methode kan echter slechts in bepaalde gevallen worden toegepast en dan nog alleen bij benadering. Er zijn niet veel intervallen-zangers. De meest bekende solfègezanger is de koekoek, waarvan men over het algemeen aanneemt, dat hij meestal een groote terts, dikwijls ook een kleine terts zingt. Maar wanneer men er maar genoeg hoort, komen allerlei intervallen te voorschijn, van seconde tot octaaf toe en dan nog meestal trots alle welluidendheid nog tamelijk valsch. Ook accentueert hij verschillend: nu eens op clen eersten, dan weer op den tweeden toon. De koekoek-éénzang blijkt nog in andere opzichten sterk te varieeren, ook in het aantal tonen van het motief, ik noteerde zeer dikwijls drie tonen, zeldzamer meer, tot twaalf toe. Het drukke lied van het wijfje is moeilijk te ontcijferen.

Andere intervallen-zangers zijn de lijsters en de meezen. Verscheidene van hun motieven zijn genoteerd in „The Evolution of Bird-song" van Charles A. Witchell (1896) en daar

Sluiten