Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn er veel onder, die werkelijk gemakkelijk te herkennen zijn. Maar het motief, dat de Groote Lijster, ieder voorjaar in onze duinstreek doet weergalmen, is bij hem niet te vinden:

Het blauwborstje en de kneu zingen ook dikwijls duidelijke intervallen, maar zijn bij cle snelheid van hun tempo moeilijk te volgen. Eenige zomers achtereen kon ik een kneutje observeeren, dat met groote zuiverheid en opgewektheid zong

Het klonk als hoorngeschal. Ook van groenlingen, gorzen en wulpen zijn met bevredigend resultaat korte liedbrokjes in ons gewoon notenschrift te noteeren.

Over het algemeen echter zijn de resultaten nog al poover en dat bracht Dr Alwin Voigt ertoe, om het aan te vullen met een nog al vernuftige notatie, bestaande uit stippen en streepjes, dicht opeen en ver van elkaar, dik en dun, in bogen en zigzaglijnen, die dan met elkaar een beeld geven van het lied. Zijn „Excursionsbuch zum Studium der Vo-elstimmen" heeft ougetwijfeld de studie der vogelgeluiden zeer bevorderd. De beginner kan er weliswaar moeilijk mee terecht, maar de adept herkent in Voigt's schrift de hem bekende geluiden en zoo is vergelijking mogelijk en de weg gebaand tot vruchtbare gedachtenwisseling. Een vergelijking van den laatsten druk van het boekje met de eerste uitgave doet zien, dat het inderdaad de kennis der vogelgeluiden zeer heeft bevorderd.

Intusschen treedt bij de schrijfwijze van Voigt de melodie toch te veel op den achtergrond en dat bracht Hans Stadler en Cornell Schmitt ertoe om weer terug te keeren tot ons gewone notenschrift en dat zoo te wijzigen, dat ook de zeer groote en zeer kleine verschillen in toonhoogte konden worden uitgedrukt. Deze ijverige onderzoekers, die ook in ons land op Texel werkten, hebben de resultaten van hun waarnemingen vastgelegd in een aantal artikelen, die voornamelijk verschenen zijn in het „Journal für Ornithologie" maar ook in cle „Ornithologische Monatshefte", in „British Birds" en in „Ardea" het orgaan der Nederlandsche Ornithologische Vereeniging. Het is te hopen, dat zij schóól maken en dat ook onderzoekers m andere landen hun werkwijze in toepassing brengen, want dan kunnen met zekerheid de reeds dikwijls vermelde locale verschillen in vogelzang worden vastgesteld Waarom zingt de vogel? Omdat hij het niet kan laten. Vrij algemeen is men dé zienswijze toegedaan, dat de vogels hoofdzakelijk zingen uit sexueele aandrift, en men wijst dan gaarne op den nachtegaal, die alleen zingt gedurende den paar- en broedtijd. Ik heb echter wel nachtegalen hooren zingen in Augustus en jongen zelfs in September en het aantal der vogels, die in Augustus, September en October zingen is zeer groot zonder dat er voor hen sprake is van paren of broeden. Nu kan - men echter het begrip sexueele invloed" zeer ruim nemen, zooals Freud doet, en er is wel kans op, dat de vogeltjes die in September zoo vroolijk doen, reeds sexueel-beinvloed zijn en vatbaar blijken voor rivaliteit. Trouwens bij watervogels beginnen de erotische vertooningen maanden voor den broedtijd en bij veel kraaien ook.

Intusschen hooren we dikwijls genoeg vogels zingen op oogenblikken, dat hun leeftijd of het jaargetijde de gedachte aan liefdezang vrijwel uitsluiten. In de eerste plaats hebben wij hier te letten op den zang van nestjongen. De hongerkreten zijn bekend genoeg. Sommige jongen schreeuwen alleen, wanneer ze reden hebben, om te denken, dat de ouden in de buurt zijn met voedsel, maar voor de rest van den tijd houden ze zich doodstil Andere roeren zich ook tusschentijds en nog andere en wel in het bijzonder al onze spechtensoorten roepen zoowat den heelen dag, eerst onbestemd en half luid, later al duidelijker en duidelijker tot zij vervallen in den echten spechtenroep, die ze verder hun geheele leven zullen laten hooren Merkwaardig is het in dit verband, dat de oude, eenzaam rondzwervende bonte specht by elk incident, dat met zijn voeding in, verband staat, een vroolijk geroep doet

Sluiten